Het vragen van een bewijs van voldoende kennis van het Nederlands aan een arts die een buitenlands diploma heeft en in Nederlandstalig België haar of zijn beroep wil uitoefenen, is niet in strijd met het Europees recht en het vrije verkeer van diensten. Artikel 53.1 van de Europese richtlijn, die de onderlinge erkenning van onder meer artsenkwalificaties regelt, is heel duidelijk: 'de beroepsbeoefenaars die erkenning van beroepskwalificaties hebben verkregen, dienen te beschikken over de talenkennis die voor de uitoefening van hun beroep in de ontvangende lidstaat vereist is'. Dit is een bindende bepaling die moet worden omgezet in nationale wetgeving.

Nederland geeft hier het goede voorbeeld. Om als arts met een buitenlands diploma ingeschreven te worden in het zogenaamde BIG-register is 'een bewijs van taalvaardigheid' vereist: 'als u in Nederland als zorgverlener gaat werken, is het belangrijk dat u de Nederlandse taal goed beheerst. Zo ontstaan er geen misverstanden tussen u en uw patiënten of cliënten. U heeft daarom een bewijs van taalvaardigheid nodig'.

En wat artsen betreft, betekent dat heel concreet: 'U heeft een gewaarmerkt certificaat nodig van het Taleninstituut Babel voor de Nederlandse taal. De toetsen worden minimaal 1 keer per maand afgenomen.'

België mist een kans om het Europees recht te respecteren

België heeft de Europese verplichting om over de talenkennis te beschikken die nodig is voor de beroepsuitoefening als arts nog niet in nationale wetgeving geregeld. Het voorontwerp van kwaliteitswet zou deze leemte opvullen. Maar in het door de ministerraad goedgekeurde voorontwerp is van een bewijs van voldoende kennis van het Nederlands (of naargelang het geval, een van de andere landstalen) helemaal geen sprake meer.

Dit is meer dan een gemiste kans om het Europees recht te respecteren. Het gaat hier om elementair respect voor een van de belangrijkste rechten van de patiënt: het recht om in een duidelijke taal informatie te krijgen, geregeld in artikel 7 en 8 van de patiëntenrechtenwet. Van een arts kan niet worden verwacht dat hij of zij met een patiënt steeds communiceert in diens moedertaal. Een tolk is dan doorgaans de oplossing. Maar behalve 'A' (de eigen taal) moet hij of zij ook 'B' kunnen spreken, als dat de taal is van de overgrote meerderheid van haar of zijn patiënten. Dat is voor beide partijen duidelijke taal.