De zomer van 2000. Samen met twee vrienden, Lode en Dirk, ben ik aan het rondreizen in Peru en Bolivië. Zonder echt vooropgestelde agenda trekken we met vliegtuig, trein, bus en te voet doorheen de ruige hoogvlaktes van de Andes. Als eerste bestemming wagen we ons de ochtend na onze aankomst in Cusco aan de driedaagse Inca Trail; het beroemde pad naar Macchu Picchu. In een begeleide groep reizen we op hoogtes tot 4000 meter doorheen indrukwekkende verzichten en microklimaten.

En ik haat haat HAAT elk moment ervan.

"De begeleide groep op de Inca trail. Ik ben de derde van rechts." © RV

"You are here one day?" vraagt de Japanse student ons verbijsterd, wanneer we met het busje naar de vertrekplaats hotsen. "Me third day, to prepare." Het reisadvies was ook om ten minste twee dagen op voorhand ter plaatse te blijven, om te kunnen acclimatiseren aan de hoogte. We hebben de avond ervoor wel al gemerkt dat er iets gaande is, toen Lode en ik om een onduidelijke reden in lachen uitbarstten en ons maar niet konden herpakken; een "natural high" door de ijlere lucht.

"We don't need it", zegt Dirk stoïcijns. En als bijkomende duiding: "We're from Belgium." Deze uitwisseling heeft een diepe indruk nagelaten op de student; want achteraf kan ik in zijn online reisblog hem uitgebreid zien verhalen over "... the impressive three doctors from Belgium, who arrived only the evening before and already joined the Inca Trail!"

Een uur na de start van de wandeling bengelen Lode en ik aan het eind van de groep. Een van de drie begeleiders is ons voortdurend aan het opjutten. "Come on, boys. You walk faster, si? I'm old but is easy, so you can too, no?" Ik ben te druk bezig met happen naar adem om hier een waardige repliek op te leveren. Die avond komen we, een uur na de rest van de groep, uitgeput op de verzamelplek aan. De eerste twee gidsen hebben de tenten al opgezet.

Dag twee worden we gewekt door de gidsen. Ze hebben hete coca-thee klaarstaan; coca-bladeren overgoten met kokend water, en rijkelijke hoeveelheden suiker. Heerlijk spul; ik drink er vijf koppen van. Die dag heb ik vleugels; het grootste deel is bergaf, en ik ren het pad af. Die avond kom ik veruit als eerste in het basiskamp aan, ruim een uur vóór de rest. We brengen de rest van de avond door aan een kampvuur, en maken we de flessen bier soldaat die Dirk mee heeft gebracht in zijn rugzak. Reisblog van de Japanse student: "The doctors from Belgium even brought beer!"

Oké, misschien vind ik deze dag nog niet zó erg...

Maar dag drie regent het pijpenstelen. Na drie uur wandelen merk ik dat een "imperméable" regenjas uiteindelijk toch niet volledig waterdicht blijft. De rest van de dag moet ik volledig verkleumd en dodelijk vermoeid doorstappen. Wanneer we uiteindelijk in Macchu Picchu aankomen ben ik not impressed. Een hoop stenen, so what? Ik wil enkel wat droge kleren en een warm bed.

De volgende dagen kan ik de ervaring in mijn geheugen verzegelen met hoge koorts en het ophoesten van gele fluimen.

Moest ik in de tijd terug kunnen gaan, zou ik het nooit opnieuw doen. Het was werkelijk een verschrikkelijke ervaring. Maar het heeft me wel resistenter gemaakt. Wanneer ik nu een fysiek zware ervaring heb; eindeloos lang stappen of lopen door weer en wind; dan denk ik terug aan de Inca Trail, en dan denk ik "ach, zo erg is dit niet", en zet ik door. Ik voel ook minder hinder van lichte temperatuurverschillen dan de gemiddelde kantoorzombie.

Wellicht is het voor iedereen zinvol om een dergelijke beproeving door te maken. Dat helpt om mindere moeilijkheden beter te kaderen, en sterkt je in je voornemens. Want zit je weer eens in de file? Krijg je je werk maar niet gedaan? Heb je weer maar eens een parkeerboete? Het zou erger kunnen zijn.