Welgeteld 227.084 zorgprofessionals mogen in ons land aan de slag. Uit de statistieken leren we verder dat op 31 december 2017 15.754 huisartsen het recht hadden om prestaties te verrichten, dat is 1% meer dan in 2016. Meer dan een kwart van hen (27%) was 65 en ouder.

Bij de specialisten tellen we in de medische en de heelkundige groep respectievelijk 11.969 (+1% tegenover 2016) en 8.472 artsen (+ 2%). Bijna één op de vier (24% en 22%) was in 2016 minstens 64 jaar oud.

Ter vergelijking: het percentage 65-plussers bij de apothekers, tandartsen, verpleegkundigen en vroedvrouwen met het recht om prestaties te verrichten bedroeg respectievelijk 21%, 19%, 7% en 11%.

De Riziv-cijfers geven ook een beeld van de evolutie tussen 2006 en 2016 van het aantal artsen met een 'geattesteerde praktijk' in de verschillende disciplines. Sommige specialismen verminderen in aantal: de algemeen internisten (van 1.542 in 2006 naar 967 en 2016), de specialisten inwendige en nucleaire geneeskunde (van 64 naar 41), de specialisten in de biologie en de anatoom-pathologie (van 28 naar 10).

Bij de huisartsen is een kleine toename vast te stellen (0,27%): van 12.415 huisartsen met een geattesteerde praktijk in 2006 naar 12.755 in 2016. Idem bij de psychiaters, met een toename van 0,58%, van 1.840 naar 1.950, en bij de reumatologen (van 208 naar 221) en de algemeen heelkundigen (van 1.221 naar 1.312).

In andere disciplines was de instroom van jonge krachten groter. Zo zijn de neurologen nu met 568, tegenover 253 in 2006 (jaarlijkse gemiddelde groei van 8,42%). Voor de pneumologen gaat het van 370 naar 545 (3,95%), voor de gastro-enterologen van 461 naar 679 (3,95%), de nucleaire artsen van 147 naar 201 (3,18%), en voor de cardiologen van 826 naar 1.076 (2,68%). In bepaalde specialismen zijn de 'transfers' te wijten aan wijzigingen in de officieel erkende titels (de neuropsychiaters bijvoorbeeld). Koren op de molen voor wie quota en subquota per discipline wil vastleggen of afschaffen.