Op het congres van de European Society for Medical Oncology 2019 heeft prof. dr. Peter Schmid, PhD, van het Barts Cancer Institute, Londen, VK gerapporteerd dat de Keynote-522-studie de eerste prospectieve, gerandomiseerde placebogecontroleerde fase 3-studie is met een neoadjuvante en adjuvante behandeling met pembrolizumab die werd uitgevoerd bij patiënten met een drievoudig negatieve borstkanker.

De studie werd uitgevoerd bij volwassenen patiënten met een nieuw gediagnosticeerde drievoudig negatieve borstkanker (T1c N1-2 of T2-4 N0-2; ECOG-performantiestatus 0-1). De weefselstalen werden geanalyseerd op PD-L1-expressie. De groepen waren vergelijkbaar qua leeftijd (mediane leeftijd 48-49 jaar), ECOG-performantiescore, PD-L1-expressie (81-84% positief), het toedieningsschema van carboplatine, de tumorgrootte en lymfeklierinvasie.

De patiënten werden in een 2-1-verhouding in twee behandelingsgroepen ingedeeld: een neoadjuvante behandeling met pembrolizumab 200 mg om de drie weken plus chemotherapie (carboplatine plus paclitaxel) vier cycli over 12 weken gevolgd door doxorubicine of epirubicine plus cyclofosfamide vier cycli over 12 weken (n = 784) of een neoadjuvante behandeling met diezelfde chemotherapie plus een placebo (n = 390).

Na 24 weken werden de patiënten geopereerd en daarna kregen ze een adjuvante behandeling met hetzij pembrolizumab in monotherapie hetzij een placebo (negen cycli van drie weken) plus radiotherapie. De primaire eindpunten van de studie waren het percentage pCR (ypT0 ypN0) bij evaluatie door de plaatselijke patholoog en de evenementvrije overleving (EFS) bij evaluatie door de onderzoeker.

Bij een eerste vooraf gespecificeerde tussentijdse analyse na inclusie van de eerste 602 patiënten was er een significant verschil in het aantal patiënten dat het primaire eindpunt, zijnde een pCR, had bereikt: 260/401 patiënten (64,8%) in de pembrolizumabgroep en 103/201 (51,2%) in de placebogroep (p = 0,00055).

Zowel in de pembrolizumabgroep als in de placebogroep was het percentage pCR hoger in geval van een tumor met PD-L1-expressie. Het percentage pCR was hoger in de pembrolizumabgroep (68,9% vs. 54,9%). Bij patiënten met een tumor zonder PD-L1-expressie was het percentage pCR lager, maar was het toch nog hoger met pembrolizumab dan met de placebo (45,3% vs. 30,3%).

Bij subgroepanalyses waren de resultaten beter met pembrolizumab dan met de placebo bij patiënten met lymfeklierinvasie, bij patiënten met een kleinere tumor, bij wekelijkse toediening van carboplatine in plaats van om de drie weken, bij patiënten jonger dan 65 jaar en bij patiënten met een ECOG PS 0. In geen enkele subgroep waren de resultaten beter met de placebo.

Bij een tussentijdse analyse na 18 maanden was de EFS eerder beter in de pembrolizumabgroep (hazard ratio 0,63, 95% betrouwbaarheidsinterval 0,43-0,93).

De belangrijkste bijwerkingen van de behandeling tijdens de neoadjuvante fase (met chemotherapie) waren nausea, alopecia, anemie, neutropenie en vermoeidheid. De frequentie van die bijwerkingen was vergelijkbaar in de twee behandelingsgroepen. Meestal ging het om graad 1- of graad 2-bijwerkingen, maar een significant aantal patiënten in beide behandelingsgroepen vertoonde een graad 3- tot graad 5-anemie. In geval van neutropenie ging het in beide groepen meestal om een graad 3- tot graad 5-neutropenie. Tijdens de neoadjuvante fase hebben nagenoeg alle patiënten in beide behandelingsgroepen bijwerkingen als gevolg van de behandeling ontwikkeld.

Er zijn minder vaak bijwerkingen opgetreden tijdens de adjuvante fase: 48,1% in de pembrolizumabgroep en 43% in de placebogroep. In geen van beide behandelingsgroepen is een of andere bijwerking opgetreden bij meer dan 8% van de patiënten.

Samengevat, toevoeging van pembrolizumab aan chemotherapie verhoogde het percentage pCR met 13,6% in vergelijking met placebo plus chemotherapie (p = 0,00055). De evenementvrije overleving was veeleer beter met pembrolizumab (HR = 0,63). Het veiligheidsprofiel was vergelijkbaar met het bekende veiligheidsprofiel van de verschillende behandelingen. De veiligheid op lange termijn wordt verder onderzocht.