Net zoals bij andere kankers zijn er duidelijke verschillen in leeftijd en lichamelijke conditie tussen patiënten met een gevorderde slokdarm- of maagkanker die in klinische studies worden opgenomen, en de patiënten die we in de courante praktijk zien. Daarom schrijven oncologen vaak een lichtere chemotherapie voor bij bejaarden en/of fragiele patiënten. De gegrondheid daarvan was echter nog niet bewezen.

Tegen die achtergrond werd de GO2-studie uitgevoerd, een grote, Britse studie die heeft onderzocht wat de optimale dosering van palliatieve chemotherapie met oxaliplatine + capecitabine (OxCap) is bij bejaarden en/of fragiele patiënten (PS Hall et al. Br J Cancer. 2017; 116: 472-8). Tevens hebben de vorsers de gunstige effecten en de risico's ervan geëvalueerd.

Die niet-blinde, multicentrische, gerandomiseerde, gecontroleerde fase 3-studie werd uitgevoerd bij 659 patiënten in 61 ziekenhuizen verspreid over het hele Verenigd Koninkrijk. Alle patiënten kwamen in aanmerking voor chemotherapie, maar niet voor de gebruikelijke drievoudige combinatietherapie (epirubicine, oxaliplatine en capecitabine).

In een eerste fase werden de patiënten in twee groepen ingedeeld: een groep patiënten die naar alle waarschijnlijkheid baat zou kunnen vinden bij een lichtere chemotherapie (n = 514), en een groep bij wie de werkzaamheid van chemotherapie heel onzeker was (n = 45).

De 514 patiënten die waarschijnlijk baat zouden vinden bij chemotherapie, werden in drie groepen ingedeeld:

A = Ox 130 mg/m2 op d1, Cap 625 130 mg/m2 2x/d gedurende 21 dagen (n = 170),

B = 80% van de doseringen in groep A (n = 171),

C = 60% van de doseringen in groep A (n = 173).

De studie had vooral tot doel aan te tonen dat de progressievrije overleving niet minder goed was met lichtere doseringen dan in groep A, en na te gaan welke dosering al met al de beste zou zijn. Het nut van de behandeling werd beoordeeld naar het uitblijven van tumorprogressie bij scans, een evaluatie door de oncoloog, de afwezigheid van ernstige bijwerkingen, behoud van de levenskwaliteit en een evaluatie door de patiënt zelf van het nut van de behandeling en de weerslag ervan op de gebruikelijke activiteiten.

De overige 54 patiënten kregen dezelfde behandeling als die van groep C of de beste ondersteunende zorg. De resultaten over die patiënten werden niet gepresenteerd.

In die uiterst pragmatische studie werd aangetoond dat de controle van de kanker niet minder goed was met de laagste doseringen dan met de hoogste: de mediane progressievrije overleving in de drie behandelingsgroepen bedroeg respectievelijk 4,9, 4,1 en 4,3 maanden en de mediane totale overleving bedroeg respectievelijk 7,5, 6,7 en 7,6 maanden. De behandeling met de laagste dosering werd al met al nuttiger geacht dan hogere doseringen en dat was vooral te danken aan minder bijwerkingen en een betere levenskwaliteit.

Naar de mondelinge presentatie van Peter S Hall et al. J Clin Oncol 37, 2019 (suppl; abstr 4006) ASCO 2019, Chicago 31 mei-4 juni.