Thomas Yau, hoofdauteur en MBBS aan de Universiteit van Hong Kong, China, heeft de resultaten van de CheckMate 459-studie gepresenteerd op het congres van de European Society for Medical Oncology 2019.

Die multicentrische studie werd uitgevoerd bij patiënten met een gevorderd HCC, Child-Pugh-klasse A, die nog geen systemische behandeling hadden gekregen en niet in aanmerking kwamen voor chirurgie of een lokale of regionale behandeling, en die een ECOG PS-score van 0-1 hadden. De patiënten werden gerandomiseerd naar nivolumab 240 mg om de 2 weken (n = 371) of sorafenib per os 400 mg 2x/d (n = 372). De behandeling werd voortgezet tot tumorprogressie of optreden van onaanvaardbare toxiciteit.

De mediane duur van de behandeling bedroeg 4,2 maanden (spreiding 3,6-5,1 maanden) in de nivolumabgroep en 3,7 maanden (spreiding 3,2-3,8 maanden) in de sorafenibgroep. De mediane follow-up bedroeg respectievelijk 15,2 en 13,4 maanden. Bij negentig percent van de patiënten van de nivolumabgroep en 98% van de patiënten van de sorafenibgroep werd de behandeling stopgezet, in twee derde van de gevallen wegens tumorprogressie.

Bij inclusie in de studie waren de groepen vergelijkbaar: gemiddelde leeftijd 65 jaar (spreiding 19-89 jaar), 85% mannen, ongeveer 70% ECOG PS 0 en 54% met een door een virus veroorzaakt HCC. Bij 18-19% van de patiënten bij wie die parameter kon worden gemeten, bedroeg de PD-L1-expressie 1% of meer; bij de rest was de PD-L1-expressie < 1%.

Geen verschil in totale overleving, het primaire eindpunt

De mediane totale overleving was 16,4 maanden in de nivolumabgroep (95% betrouwbaarheidsinterval 13,9-18,4 maanden) en 14,7 maanden in de sorafenibgroep (spreiding 11,9-17,2 maanden) (hazard ratio 0,85, 95% BI 0,72-1,02, p = 0,0752). De vooraf gespecificeerde afbreekwaarde voor statistische significantie wat het verschil in totale overleving betreft, was een hazard ratio van 0,84 in het voordeel van nivolumab en een p = 0,0419. Die drempel werd dus niet bereikt.

De resultaten waren vergelijkbaar in alle vooraf gespecificeerde subgroepen op enkele uitzonderingen na. Zo waren de resultaten iets beter met nivolumab bij Aziatische patiënten, patiënten met een 'Barcelona Clinic Liver Cancer'- stadium C, patiënten met vaatinvasie en/of uitzaaiing buiten de lever, en patiënten met een initieel alfafoetoproteïnegehalte van 200 µg/l. Het effect van nivolumab verschilde niet naargelang van de initiële PD-L1-expressie. Er was evenwel een tendens tot een betere totale overleving en een hoger percentage objectieve respons bij een PD-L1-expressie van 1% of hoger.

Geen verschil in progressievrije overleving tussen nivolumab en sorafenib: respectievelijk 3,7 en 3,8 maanden.

Het percentage objectieve respons bedroeg 15% (57/371) in de nivolumabgroep en 7% (26/372) in de sorafenibgroep. De respons was meestal een stabilisering van de ziekte: 130 (35%) met nivolumab en 180 (48%) met sorafenib. De mediane tijd tot verkrijgen van een respons was 3-4 maanden en de mediane duur van de respons was ongeveer 23 maanden. Wat de latere behandelingen betreft, slechts 2% van de patiënten van de nivolumabgroep heeft daarna een andere immunotherapie gekregen; 20% van de patiënten van de sorafenibgroep heeft daarna immunotherapie gekregen.

Het veiligheidsprofiel was beter met nivolumab: minder graad 3/4-bijwerkingen met nivolumab dan met sorafenib (respectievelijk 22% en 49%). Ook het aantal patiënten dat de behandeling heeft stopgezet, was lager met nivolumab dan met sorafenib. Met de FACT-Hep-vragenlijst, die het effect evalueert van een hepatocellulair carcinoom en de behandeling ervan op de aan de gezondheid gerelateerde levenskwaliteit, werd er tot week 113 een klinisch betekenisvol verschil in het voordeel van nivolumab gevonden.