...

Sinds 2013 vermeldt de DSM-V niet langer de term 'dementie'. "Dat komt omdat sommige patiënten lichte cognitieve stoornissen hebben (MCI of mild cognitive impairment), maar die mensen zijn niet dement", kadert prof. Adrian Ivanoiu, neuroloog aan de Cliniques universitaires Saint-Luc. "In het prodromale of het lichte stadium kunnen ze nog zelfstandig wonen, soms met wat hulp voor complexe taken. Dat stadium kan tot vijf jaar na de diagnose aanhouden, en soms langer." Ernstige cognitieve stoornissen verwijzen niet altijd naar een ziekte van Alzheimer. Vergeetachtigheid voor recente gebeurtenissen doet weliswaar aan die diagnose denken, zeker als de stoornis geleidelijk opgekomen is. "Maar het klinisch beeld laat de etiologie niet eenduidig voorspellen", werpt prof. Ivanoiu tegen. "Er zijn tal van andere oorzaken: de ziekte van Parkinson, vasculaire afwijkingen, langdurige covid-19, angst en depressie, enzovoort. Kortom, bij personen met geheugenklachten moet de diagnose voorzichtig gesteld worden." "Het klopt wél dat de ziekte van Alzheimer een preklinisch stadium kent: beeldvormend onderzoek van de hersenen kan typische letsels aan het licht brengen bij iemand die nog geen klachten heeft." Voor de ziekte van Alzheimer zijn er twee soorten merkers, ook in het prodromale stadium. ? Cognitieve merkers worden geëvalueerd aan de hand van tests zoals de Mini-Mental State Examination (MMSE). Diepgaande neuropsychologische tests, die worden afgenomen door een neuropsycholoog op vraag van een specialist, zijn gevoeliger, maar worden alleen in welbepaalde omstandigheden terugbetaald. Deze tests kunnen hersenlijden aan het licht brengen, maar leveren flink wat valsnegatieve resultaten op, zeker bij mild cognitive impairment of prodromale Alzheimer. Daarom maken ze het op zich niet mogelijk de diagnose uit te sluiten. ? Biologische merkers vallen uiteen in twee categorieën: ? Abnormale neerslagen van amyloïd of tau-eiwit in de hersenen kan men aantonen in het cerebrospinaal vocht of met een combinatie van PET-scan en CT-scan (PET/CT-scan); ? Degeneratieve aantasting van de neuronen en de synapsen, zoals atrofie van de hippocampus en de cortex of een vertraagd corticaal metabolisme, is zichtbaar op MRI of PET/CT met 18-FDG. "Geen van deze merkers is specifiek, zodat de resultaten moeten worden geïnterpreteerd", commentarieert prof. Ivanoiu. "Bij vermoeden van een neurodegeneratieve aandoening kan men de patiënt dus het best naar een specialist (neuroloog, geriater of psychiater) of een geheugenkliniek verwijzen. Daar kan een volledig nazicht worden uitgevoerd, met doorgedreven tests. Het beleid is er van meet af aan multidisciplinair."Als niet-degeneratieve stoornissen uitgesloten zijn bij een patiënt met een cognitieve stoornis, moet men zich afvragen of het nuttig is naar biologische merkers te zoeken om mild cognitive impairment of een prodromale ziekte van Alzheimer aan het licht te brengen. "We hebben geen behandelingen die de ziekte van Alzheimer afremmen", onderstreept prof. Ivanoiu. "De diagnose komt hard aan voor de patiënt en zijn naasten. Daarom rijst de vraag: is het beter mensen dit leed te besparen en de zaken even aan te zien, of moet men tegen wil en dank het klinisch onderzoek vervolledigen? Dat is een ethische kwestie, die enige aandacht verdient. Sommige mensen weten liever niet wat hen te wachten staat, en dat is hun recht. Ik denk dus dat men de situatie met hen moet bespreken vóór men verdere onderzoeken aanvraagt. Argumenten vóór en tegen moeten duidelijk belicht worden. Een vroegtijdige diagnose schept ruimte voor een belangrijke reflectie met de patiënt over zijn toekomst. Welke zorg wil hij nog wel of niet krijgen? Wie wordt zijn vertrouwenspersoon? Wat met opname in een zorginstelling en euthanasie, het aanstellen van een bewindvoerder, en de hulpmiddelen of steun waarover de mantelzorger kan beschikken?" Vroegtijdige zorgplanning vermijdt dat er achteraf problemen optreden, als de patiënt niet meer in staat is zijn wensen kenbaar te maken of in te stemmen met voorgestelde behandelingen. Tijdens de follow-up verdient het aanbeveling regelmatig een bloedonderzoek uit te voeren om mogelijke voedingstekorten op te sporen, meer bepaald een tekort aan vitamine D of vitamine B12. Indien nodig, kan men supplementen voorschrijven. "Hersenen die al te lijden krijgen onder mild cognitive impairment of ernstige cognitieve deficits kan men immers beter niet nog verder onder druk zetten", merkt prof. Ivanoiu op. "Gezegd moet ook dat een derde van de betrokken patiënten last heeft van angst of depressie. Een behandeling met antidepressiva, anxiolytica of slaapmiddelen kan de levenskwaliteit van deze mensen gevoelig verbeteren. Voor een aantal andere problemen kan men paramedici laten tussenkomen." Een paar voorbeelden: ? Een ergotherapeut kan helpen om de woning aan te passen en veiliger te maken (door het verwijderen van tapijten en andere hindernissen die het valrisico verhogen), en de patiënt voorwerpen leren hanteren. ? Vroegtijdige interventie van een logopedist kan oplossingen aanreiken als communicatie- of slikstoornissen optreden. ? Kinesitherapie is essentieel. Nog vóór motorische stoornissen of verlammingen optreden, helpen lichaamsbeweging en evenwichtsoefeningen de patiënt zijn mobiliteit te vrijwaren, zodat hij langer zelfstandig thuis kan blijven wonen. "Een optimaal beleid bij patiënten met cognitieve stoornissen stoelt op een actieve en duurzame samenwerking tussen de huisarts en de specialist", zegt prof. Ivanoiu. "De huisarts bewaakt de patiënt dag aan dag, en kan een beroep doen op de specialist voor specifieke problemen of complicaties. En ten slotte nog dit: soms zit de huisarts ermee verveeld om bewindvoering aan te vragen bij de vrederechter, in het bijzonder als het erop aan komt de patiënt tegen zijn familieleden te beschermen. In dat geval zijn wij specialisten altijd bereid het attest op te stellen."