Algemeen kan gesteld worden dat aan de UGent vakken sterker gegroepeerd worden dan aan de overige universiteiten. Dit betekent concreet dat een vak dat aan de UGent in een keer geëxamineerd wordt, aan andere universiteiten vaak is opgebouwd uit meerdere, afzonderlijke vakken die elk apart geëxamineerd worden.

Aan alle universiteiten wordt het eerste semester van de eerste Bachelor ingeleid door lessen in de celbiologie, biochemie en celfysiologie. Enkel aan de UGent bestaat nog een module waarin specifiek onderricht wordt in de chemie en de fysica. Tijd voor het aanleren van enkele medische vaardigheden, communicatie en een initiatie tot wetenschappelijk onderzoek worden aan alle faculteiten reeds ingepland vanaf de eerste bachelor.

Er zijn echter ook een aantal onderwerpen die enkel aan sommige universiteiten als aparte vakken worden aangeboden. Zo bestaat er een apart vak 'huisartsgeneeskunde en eerstelijnszorg' aan de UGent en de UA; een apart vak over 'ziektemechanismen' aan de KUL, UGent en de VUB; een apart vak oncologie aan de KUL en UA; een apart vak over 'shock en orgaanfalen' en een vak 'anesthesiologie' aan de UA; een vak rond zingeving en levensbeschouwing aan de KUL en de UA, en een module interprofessioneel onderwijs aan de VUB en de UA waarin samengewerkt wordt met studenten uit andere paramedische disciplines.

Ook het aanbod van het keuzeonderwijs verschilt sterk tussen de universiteiten. Aan de KUL kunnen verschillende keuzevakken vrijblijvend extra-curriculair opgenomen worden, waaronder een keuzevak huisartsgeneeskunde. Aan de UGent maakt een keuzevak verplicht deel uit van het curriculum in de 2e Master. Aan de UA moeten binnen het curriculum in totaal vier keuzevakken gevolgd worden, verdeeld over het eerste en het tweede Masterjaar. Aan de VUB kan men in de 3e Bachelor kiezen tussen tutorship, research of een werk rond het thema 'redelijk eigenzinnig'.

Wat het testen van de vaardigheden betreft, worden zogenaamde 'stationsproeven' georganiseerd. Dit zijn klinische examens, waarbij men bij elk 'station' een klinische vaardigheid moet kunnen uitvoeren. Aan de KUL wordt deze proef een eerste keer georganiseerd aan het einde van de bacheloropleiding, en een tweede keer aan het einde van de masteropleiding. Een gelijkaardige verdeling bestaat aan de VUB, waarbij de tweede stationsproef echter voorzien wordt in de eerste Master. Aan de UA vindt de eerste stationsproef plaats in het eerste Bachelorjaar voor de aanvang van de verpleegstage, en wordt deze eveneens gevolgd door een stationsproef aan het einde van de bacheloropleiding en voor de aanvang van het stagejaar. Aan de UGent vindt jaarlijks een stationsproef plaats vanaf de 1e Bachelor tot het 1e Masterjaar.

Alicja Zarowska