De auteurs hebben in een elektronische gegevensbank van de eerstelijnszorg in het Verenigd Koninkrijk (Clinical Practice Research Datalink) de patiënten met reumatoïde artritis geselecteerd. In het totaal ging het om 16.507 patiënten (70% vrouwen) die gedurende minstens een jaar waren gevolgd (gemiddeld vier jaar) en van wie er 8.249

een behandeling met orale corticosteroïden hadden gekregen, en 8.258 niet. De patiënten die orale corticosteroïden hadden gekregen, waren ouder, hadden een hogere BMI en vertoonden meer comorbiditeit. Bij elke patiënt werd de eerste osteoporotische fractuur geregistreerd.

Om het effect van orale corticosteroïden op het fractuurrisico te evalueren, hebben de auteurs een statistische methode van cumulatieve gewogen blootstelling gebruikt waarbij ze rekening hebben gehouden met de dosering, de duur van de behandeling en een al dan niet recente toediening van corticosteroïden.

Na een eerste behandeling met corticosteroïden zijn 590 fracturen opgetreden. 516 van die fracturen zijn opgetreden toen de patiënten geen corticosteroïden meer kregen. Robinson (foto) toonde bij de presentatie van de resultaten aan dat het risico vooral verhoogd was tijdens het eerste jaar na gebruik van corticoïden en dat het risico daarna mettertijd verminderde (figuur 1).

© updates

Bij vergelijking van de verschillende vormen van behandeling met corticosteroïden hebben de auteurs drie belangrijke vaststellingen gedaan:

  • Bij een constante dosering van 5 mg/d stijgt het fractuurrisico met de duur van de behandeling: HR 1,09 (95% BI 1,05-1,13) na drie maanden, 1,25 (95% BI 1,16-1,35) na zes maanden en 1,42 (95% BI 1,30-1,55) na 12 maanden.
  • Bij eenzelfde totale dosering (900 mg) was het fractuurrisico lager bij een langdurige behandeling met een lage dosering (5 mg/d gedurende zes maanden) dan bij een korte behandeling met een hoge dosering (30 mg/d gedurende een maand: HR 1,42 (95% BI 1,30-1,55) versus 1,70 (95% BI 1,37-2,09).
  • Na stopzetting van de orale corticosteroïden nam het fractuurrisico af. Na zes maanden tot een jaar, afhankelijk van de dosering en de duur van de behandeling, daalde het risico weer tot het initiële niveau. Bij inname van eenzelfde totale dosering van 900 mg was het risico niet meer significant verhoogd zes maanden na stopzetting van de corticosteroïden [HR 1,06 (95% BI 0,97-1,15)] met 5 mg/d gedurende zes maanden en een jaar na stopzetting van de corticosteroïden [HR 0,99 (95% BI 0,92-1,06)] met 30 mg/d gedurende een maand.

WCO-IOF-ESCEO 2018, Krakau, Polen, 19-22 april. Naar de mondelinge presentatie OC31.