Is dat ook zo bij patiënten die zijn opgenomen op een dienst algemene interne geneeskunde bij wie stelselmatig wervelfracturen worden opgespoord? Met andere woorden, is het percentage patiënten dat wordt behandeld voor osteoporose, hoger bij een vroege aanpak (in het ziekenhuis) van nieuw gediagnosticeerde wervelfracturen dan bij een latere aanpak (buiten het ziekenhuis).

Een groep uit Genève (T Chevalley et al.) heeft bij meer dan 900 patiënten systematisch gezocht naar wervelfracturen op profielröntgenfoto's van de thorax of de wervelkolom bij opname of tijdens het ziekenhuisverblijf.

'Fracture liaison services' (FLS) zijn structuren die op de verschillende diensten zoeken naar de patiënten met een fractuur en die zorgen voor een liaison tussen de verschillende artsen en andere gezondheidswerkers om ervoor te zorgen dat de patiënten, die per definitie een hoger risico lopen op een nieuwe fractuur, zo goed mogelijk zouden worden behandeld en gevolgd.

In een eerste fase verlieten de patiënten het ziekenhuis en kreeg de huisarts aanbevelingen over de uit te voeren onderzoeken en de geneesmiddelen tegen osteoporose die hij zou moeten voorschrijven (extra muros zorg). In een tweede fase werden de aanvullende onderzoeken uitgevoerd en werd de behandeling gestart tijdens het ziekenhuisverblijf (ziekenhuiszorg).

De patiënten die werden gerekruteerd tijdens fase 1 (84 patiënten met een fractuur van de 407 geëvalueerde personen, 21%, 75,7 ± 7,7 jaar) en fase 2 (100 patiënten met een fractuur op de 524 geëvalueerde personen, 19%; 77,8 ± 9,4 jaar), waren vergelijkbaar qua geslacht, leeftijd, de comorbiditeitsindex van Charlson, voorgeschiedenis van fracturen, de FRAX-score en de prevalentie van graad 1- of graad ≥ 2 wervelfracturen.

Het percentage patiënten dat specifiek werd behandeld voor osteoporose, werd na drie en zes maanden geëvalueerd tijdens een telefoongesprek. Het aantal patiënten dat een specifieke behandeling voor osteoporose kreeg, was hoger tijdens fase 2 dan tijdens fase 1 zowel na drie maanden (respectievelijk 67% en 19%, p < 0,001) als na zes maanden (69% versus 27%; p < 0,001). Ook het percentage patiënten dat nog altijd werd behandeld, was hoger tijdens fase 2 dan tijdens fase 1 zowel na drie maanden (52% versus 19%; p < 0,001) als na zes maanden (54% versus 29%; p < 0,001). Ondanks een verschil in behandeling tussen de twee fasen was er geen significant verschil in de duur van het ziekenhuisverblijf.

De gecontroleerde studie wijst er dus op dat een vroege evaluatie van bejaarde patiënten met een nieuw gediagnosticeerde broosheidsfractuur van de wervels en het opstarten van de behandeling voor osteoporose tijdens het ziekenhuisverblijf een strategie voor secundaire preventie van fracturen vormen. Deze strategie verlengt het ziekenhuisverblijf niet en blijkt efficiënter dan als de behandeling later, na ontslag uit het ziekenhuis, wordt opgestart.

WCO-IOF-ESCEO 2018, Krakau, Polen 19-22 april. Naar de mondelinge presentatie OC17.