...

Luikse vorsers hebben een prospectief onderzoek uitgevoerd bij 110 volwassenen met astma (gemiddelde leeftijd 53 jaar, 61% vrouwen, gemiddelde BMI 26,7 kg/m²). 12% rookte, 30% had een chronische rinosinusitis en 24% neuspoliepen. Bij die patiënten hebben de vorsers overgevoeligheid voor een hele rist courante aerogene allergenen opgespoord (kat, hond, huismijt, graspollen, pollen van bomen, mengsel van schimmels ...) en voor de enterotoxine van St. aureus. 59% van de patiënten was overgevoelig voor een aerogeen allergeen en 50% was overgevoelig voor de enterotoxine van St. aureus. De patiënten werden dan in vier groepen ingedeeld:Bij de patiënten die enkel overgevoelig waren voor aerogene allergenen, is het astma op een jongere leeftijd ontstaan. Die patiënten hebben weinig aanvallen vertoond. 79% heeft nooit gerookt en ze hadden een correcte longfunctie.Bij de patiënten die enkel overgevoelig waren voor de enterotoxine van St. aureus, is het astma later opgetreden. Die patiënten hebben vaker exacerbaties ontwikkeld, rookten meer en langer, hadden een meer uitgesproken bronchusobstructie en comorbiditeit in het neus-keel-oorgebied, en de totale serum-IgE-spiegel was hoger dan bij patiënten die enkel overgevoelig waren voor aerogene allergenen.Zoals bij astma met een type T2-ontsteking hadden de patiënten die overgevoelig waren voor de enterotoxine van St. aureus, een hoger FeNO-gehalte, een hoger IgE-gehalte en meer IL-5 in de sputa.Een derde tot de helft van de algemene bevolking is overgevoelig voor de enterotoxine van St. aureus. Daarom is het wenselijk die overgevoeligheid op te sporen bij astmalijders. Astmalijders die overgevoelig zijn voor de enterotoxine van St. aureus, zouden een subgroep van patiënten kunnen vormen, die misschien van dichterbij zouden moeten worden gevolgd en bij wie het nuttig zou kunnen zijn de behandeling aan te passen.