Eerst een kort overzicht van het natuurlijke verloop van de longfunctie bij vrouwen. De longfunctie bereikt een piek tussen de leeftijd van 25 en 30 jaar en vermindert daarna traag, maar gestaag. Meerdere studies hebben aangetoond dat bepaalde factoren de achteruitgang versnellen of afremmen. De menopauze is een welbekende factor van achteruitgang. De Noorse groep heeft daarom het effect van een hormonale substitutietherapie op de natuurlijke evolutie van de longfunctie bij vrouwen geëvalueerd.

Van de 3.713 vrouwen in de European Community Respiratory Health Survey (waaraan ook België heeft deelgenomen) die gedurende meer dan twintig jaar werden gevolgd, hebben ze 236 gemenopauzeerde vrouwen geselecteerd die een hormonale substitutietherapie kregen sinds minstens twee jaar. Die vrouwen hebben ze vergeleken met 236 vrouwen met een identiek profiel, die nooit een hormonale substitutietherapie hebben ingenomen. Tijdens de follow-up van twintig jaar daalden de ESW en de FVC minder bij de vrouwen die een hormonale substitutietherapie kregen, dan bij de andere.

De auteurs trekken twee conclusies uit hun studie. Ten eerste, de snellere achteruitgang van de longfunctie vanaf de menopauze is toe te schrijven aan de daling van de oestrogeenspiegel. Ten tweede, een orale hormonale substitutietherapie (andere toedieningswijzen werden niet onderzocht) vertraagt de achteruitgang van de longfunctie en is dus nuttig om een betere longfunctie te vrijwaren. Dat laatste is belangrijk bij vrouwen die al een ademhalingsziekte (astma, COPD, roken,...) hebben opdat de situatie na de menopauze niet zou verslechteren.

Ref.: Triebner K. et al. OA4420, ERS 2017, Milaan.