...

De deelnemers waren 55-plussers met COPD bij wie een behandeling met een LAMA (n=13.870) of een LABA+ICS (18.500) werd gestart (2002-2015, Montreal, Canada). Gegevens van minstens één jaar vooraf waren vereist, waaronder een bepaling van de bloedeosinofilie vóór de start van de behandeling. De patiënten met LAMA (voornamelijk tiotropium) werden gematcht met de patiënten met LABA+ICS (n=12.366 in elke groep). Het optreden van een matige tot ernstige COPD-exacerbatie en ernstige pneumonie werd gedurende één jaar gemonitord. Een exacerbatie trad iets minder vaak op met LABA+ICS - maar niet statistisch significant - versus LAMA (HR 0,95; 0,90-1,01). Bij patiënten met <2% eosinofielen in het bloed was de HR 1,03 (0,93-1,13) en bij patiënten met 2% tot 4% eosinofielen 1,00 (0,91-1,10). Bij patiënten met >4% eosinofielen daarentegen was er wel een significant voordeel voor LABA+ICS (HR voor exacerbatie 0,79; 0,70-0,88). De incidentie van pneumonie steeg met LABA+ICS (HR 1,37; 1,17-1,60), en was vergelijkbaar in alle eosinofielengroepen. Stratificatie voor twee of meer exacerbaties in het jaar vóór inclusie (11% van de deelnemers) toont dat de incidentie van exacerbaties met LABA+ICS wel significant lager is (HR 0,87; 0,79-0,97), zij het volgens de auteurs toch maar marginaal. Besluit: <4% eosinofielen start met een LAMA, >4% eosinofielen, en mogelijk ook bij COPD-patiënten met frequente exacerbaties, start met LABA+ICS. Suissa S et al. Comparative effectiveness of LABA-ICS versus LAMA as initial treatment in COPD targeted by blood eosinophils: a population-based cohort study. Lancet Repirat Med 2018; published October 17. DOI:https://doi.org/10.1016/S2213-2600(18)30368-0* https://goldcopd.org/wp-content/uploads/2018/02/WMS-GOLD-2018-Feb-Final-to-print-v2.pdfCOPD: chronisch obstructieve longziekte; LABA = langwerkend bèta-2-mimeticum; LAMA = langwerkend anticholinergicum; ICS: inhalatiecorticosteroïd