Meerdere studies hebben aangetoond dat patiënten met een primair progressieve MS (PPMS) een ernstige demyelinisatie van de cortex vertonen met weinig invasie in de witte stof en dat bij patiënten met een secundair progressieve MS (SPMS) beide delen worden aangetast. Tegen die achtergrond zouden de visuele banen een model kunnen vormen om een beter inzicht te krijgen in de hersenbeschadiging in de hoop de hersenschade sneller en op minder invasieve wijze te kunnen evalueren. De Italiaanse vorsers hebben de demyelinisatie en neurodegeneratieve afwijkingen in het visuele systeem geëvalueerd met visuele geëvoceerde potentialen (VEP) en optische coherentietomografie (OCT). Ze hebben ook het gezichtsvermogen van de patiënten onderzocht.

Bevestiging

De VEP werden al onderzocht bij MS-patiënten. Leocani et al. (1) hebben in 2006 bij 13 patiënten met een PPMS en 28 patiënten met een SPMS aangetoond dat de VEP abnormaal waren bij 92,3% van de patiënten met een PPMS en bij 85,7% van de patiënten met een SPMS. In een al wat oudere studie (2) werd vastgesteld dat de VEP vertraagd waren bij 89% van de patiënten met een PPMS. Oberwahrenbrock et al. hebben met OCT aangetoond dat de dikte van de netvlieslaag die de zenuwvezels bevat, afhangt van de duur van de ziekte.

De Italiaanse vorsers hebben hun studie uitgevoerd om na te gaan of een combinatie van functioneel en morfologisch onderzoek van de visuele banen bij een progressieve MS nuttig is en of je zo pathofysiologische verschillen tussen PPMS en SPMS kan vinden.

De patiënten met een SPMS waren jonger dan de patiënten met een PPMS. De duur van de ziekte was significant langer bij patiënten met een SPMS dan bij patiënten met een PPMS: respectievelijk 20 en 8,4 jaar. Er was echter geen significant verschil in de duur van progressie: respectievelijk 8,4 en 7,4 jaar. Ook de EDSS-score was identiek.

Gezichtsverlies

De gezichtsscherpte bij de MS-patiënten was significant slechter dan bij patiënten zonder MS, maar er was geen verschil tussen de patiënten met een SPMS en de patiënten met een PPMS. De zenuwlaag was significant dunner bij patiënten met een SPMS dan bij patiënten met een PPMS. De latentie was significant langer bij patiënten met een SPMS (149,3 ± 23,8 vs. 135,6 ± 16,2 maanden, p < 0,001). Bij correctie voor de duur van de ziekte verdween dat verschil echter.

Bij patiënten met een progressieve MS is meting van de VEP gevoeliger dan een OCT, vooral als er geen neuritis is. Dat strookt met de bevindingen van andere studies. De gevoeligheid is echter vergelijkbaar in de twee patiëntengroepen. Maar bij vergelijking van de resultaten van de OCT blijkt die toch gevoeliger te zijn bij SPMS dan bij PPMS. Het netvlies was significant dunner bij patiënten met een SPMS dan bij patiënten met een PPMS en de latentie van de VEP was langer. Volgens Simone Guerrieri is er een positieve correlatie tussen demyelinisatie en verlies van axonen bij patiënten met een SPMS, maar niet bij patiënten met een PPMS.

We mogen dus concluderen dat evaluatie van de structuur van het netvlies nuttig is om de evolutie van de ziekte en de progressie op centraal niveau te volgen.

Guerrieri S et al. Secondary Progressive patients show higher demyelination and neurodegeneration along the visual pathway than Primary Progressive patients in Multiple Sclerosis. EAN 2017 Abstract #O2114