Van de patiënten met MS vertoont 3 tot 5% de pediatrische vorm van MS (officieel gedefinieerd als het optreden van kenmerkende klinische en radiologische verschijnselen van MS voor de leeftijd van 18 jaar). De therapeutische richtlijnen zijn vooral gebaseerd op de resultaten van een beperkt aantal open studies. PARADIGMS is dus een echte première, een studie die robuuste, evidentiegebaseerde gegevens heeft opgeleverd die bijzonder nuttig zijn bij de keuze van de behandeling.

Een zeer representatieve populatie

PARADIGMS is een multicentrische, gerandomiseerde, dubbelblinde fase 3-studie die 99 patiënten met een pediatrische MS gedurende twee jaar heeft gevolgd. Van die patiënten nemen er 95 deel aan een langetermijnextensie van die studie. Een analyse van de kenmerken van de patiënten schetst een vrij betrouwbaar beeld van die patiëntenpopulatie. Het betreft blanke patiënten van gemiddeld 15 jaar oud (73% was 14 tot 18 jaar oud); bijna twee derde was van het vrouwelijke geslacht. Sinds de eerste symptomen van MS waren er gemiddeld twee jaar verlopen. Het aantal relapsen was 1,5 tijdens de eerste 12 maanden en 2,4 tijdens de eerste 24 maanden, wat dus wijst op het zeer inflammatoire karakter van dat type MS. De gemiddelde EDSS-score was 1,5 en 44,3% van de patiënten vertoonde nog geen gadoliniumpositieve letsels.

Zeer positieve resultaten

De patiënten werden in twee groepen ingedeeld. Een groep werd behandeld met fingolimod 0,25/0,50 mg per dag in combinatie met een i.m. injectie van een placebo van interferon-bèta-1a. De tweede groep werd behandeld met interferon-bèta-1 in combinatie met een placebo voor fingolimod per os. Het primaire eindpunt was het geannualiseerde relapspercentage.

Tijdens de follow-up van twee jaar was de frequentie van het primaire eindpunt in de fingolimodgroep significant gedaald met 81,9% in vergelijking met de andere groep (p < 0,001). De tijd tot optreden van een eerste relaps was significant langer in de fingolimodgroep dan in de interferon-bèta-1-groep. Van de 85,7% patiënten die met fingolimod werden behandeld, heeft tijdens de follow-up van twee jaar geen enkele relaps vertoond. In de interferon-bèta-1-groep was dat slechts 38,8%. Het aantal nieuwe letsels op T2-gewogen beelden (- 52,6%), het aantal Gd+ letsels (- 66%), de hersenatrofie en het risico op verslechtering van de EDSS-score na drie maanden (- 77%) waren alle significant beter in de fingolimodgroep dan in de interferon-bèta-1-groep.

De geneesmiddelen werden over het algemeen goed verdragen. Fingolimod werd beter verdragen dan interferon: 92% van de patiënten van de fingolimodgroep heeft de behandeling voortgezet tot op het einde van de tweejarige follow-up tegen 75% van de patiënten van de interferongroep. Het aantal bijwerkingen was hoger in de interferongroep (95,3%) dan in de fingolimodgroep (88,8%), maar het aantal ernstige bijwerkingen was hoger in de fingolimodgroep (9,3% vs. 6,2%), waaronder twee gevallen van leukopenie, een geval van AV-blok en vier gevallen van epilepsie.

Ref: Chitnis T. et al. OP 276, Late Breaking News, ECTRIMS 2017, Parijs, 28/10/2017.