...

In de media gaat alle aandacht nu uit naar de wedloop om het eerste vaccin tegen het SARS-CoV-2 te ontwikkelen. Vragen over groeps- en individuele immuniteit blijven echter belangrijk. Volgens twee recente studies zou dat toch sneller kunnen gaan dan we denken, vooral bij kinderen. Britse vorsers schuiven een mogelijke verklaring daarvoor naar voren: bij een aantal kinderen zouden de antistoffen tegen het stekeleiwit (S-proteïne) toe te schrijven zijn aan een eerdere infectie met een ander coronavirus. Ze zijn tot die conclusie gekomen na vergelijking van de resultaten bij Covid-19-patiënten en patiënten zonder Covid-19 bij wie stalen waren afgenomen tussen 2011 en 2018. In het totaal ging het om 302 patiënten.Zoals te verwachten was, werden bij de patiënten die het virus hadden opgelopen , IgA-, IgM- en IgG-antistoffen teruggevonden. De wetenschappers hebben anderzijds ook neutraliserende antistoffen (vooral IgG) tegen het SARS-CoV-2 bij mensen die geen infectie met het SARS-CoV-2 hadden doorgemaakt. Dat was zo bij 16 volwassenen (5,3% van de onderzochte populatie), dus een vrij laag percentage. Minstens 21 (43,8%) van de 48 kinderen en adolescenten van 1-16 jaar vertoonden een vooraf bestaande humorale immuniteit. In de leeftijdsgroep van 6-16 jaar was dat zelfs 62%. Het ging nagenoeg altijd om IgG-antistoffen tegen de S2-subeenheid van het stekeleiwit op het oppervlak van het SARS-CoV-2, dus de antistoffen met de langste halfwaardetijd.De vorsers denken dat die antistoffen waarschijnlijk werden gevormd tijdens een vroegere infectie met andere coronavirussen en dat die antistoffen zich ook binden aan de S2-subeenheid (kruisreactiviteit). Het zou dus gaan om een immunologisch geheugen van contact met andere coronavirussen."Dergelijke antistoffen worden veel vaker teruggevonden bij kinderen dan bij volwassenen", commentarieert Kevin Ng, een van de auteurs van de studie. Hij erkent evenwel dat verder grootschalig onderzoek vereist is om na te gaan waarom die antistoffen niet meer worden teruggevonden bij volwassenen, hoewel die tijdens hun kindertijd en jeugd ook in contact zijn gekomen met andere coronavirussen. In the New York Times formuleert dr. Stephen J. Elledge de hypothese dat dat immunologische geheugen (en dus ook de daarmee samenhangende antistoffen) mettertijd verdwijnt. Volgens een Australische studie zou de familie in belangrijke mate verantwoordelijk zijn voor de vorming van antistoffen tegen het SARS-CoV-2 bij kinderen. Sommige kinderen blijken inderdaad antistoffen te ontwikkelen door een chronische blootstelling aan het SARS-CoV-2 van hun ouders (2). De auteurs zijn tot die conclusie gekomen na analyse van het immunologische profiel van een gezin in Melbourne (twee ouders met een bewezen symptomatische SARS-CoV-2-infectie en hun drie kinderen van schoolgaande leeftijd bij wie de SARS-CoV-2-PCR bij herhaling negatief was). Om de 2-3 dagen hebben de vorsers bloed-, speeksel-, stoelgangs- en urinestalen en een neus- en keelwisser afgenomen. Bij alle gezinsleden werden specifieke antistoffen in het speeksel teruggevonden. De titers van antistoffen tegen het SARS-CoV-2 waren hoger bij de gezinsleden dan bij gezonde controlepersonen. Dat wijst er dus op dat kinderen een immuunrespons tegen het SARS-CoV-2 kunnen vormen zonder virologische bevestiging van infectie en dat de immuniteit bij kinderen een infectie met het SARS-CoV-2 zou kunnen voorkomen. (referenties: (1)Science, 6 november 2020, doi: 10.1126/science.abe1107,(2)Nature Communications, 11 november 29020, doi: 10.1038/s41467-020-19545-8)