8 op 10, zoveel geven respondenten aan hun vertrouwen in vaccinaties in het algemeen, de doeltreffendheid en het nut ervan.

Maar de enquête illustreert wel goed de huidige trend, nl. dat jonge mensen zich meer vragen stellen over mogelijke nevenwerkingen; ze informeren zich vader vooraf over het nut van een vaccin in vergelijking met de oudere generatie.

Bij vragen of twijfels zijn de dokter, apotheker en verpleegkundige, ... de eerste informatiebron, gevolgd door Kind en Gezin/ONE en internet. Jongere respondenten zoeken vaker informatie over vaccins op via internet, maar het web komt ook bij hen op de tweede plaats.

Kinderen

De ernst van de ziekte en de doeltreffendheid van het vaccin zijn de belangrijkste factoren om een kind te laten vaccineren, maar ook de aanbeveling van de arts speelt een grote rol, net als bijwerkingen van het vaccin.

48% van de Nederlandstalige respondenten zegt dat de kinderarts een invloed heeft gehad op de beslissing om hun kind(eren) te laten vaccineren (tegenover 68% bij de Franstalige respondenten), 44% geeft aan dat de huisarts een rol heeft gespeeld (46% FR).

Opvallend: bij de Nederlandstaligen vindt 50% de aanbeveling van Kind en Gezin belangrijk, tegenover 36% bij de Franstalige respondenten.

Franstalige gemeenschap

Uit de enquête blijkt verder dat er meer discussie is over vaccins en vaccinatie in de Franstalige gemeenschap dan in Vlaanderen. Franstalige respondenten staan meer bloot aan negatieve berichten in de media over vaccinatie (42 tgo. 24%). In Vlaanderen heerst over het algemeen een positiever klimaat omtrent vaccinaties dan in Wallonië. Vlamingen voelen zich ook iets beter geïnformeerd door de overheid, en stellen zich iets minder vragen over risico's en nevenwerkingen.

Een kritische houding tegenover vaccins en vaccinatie is sterker aanwezig ten zuiden de taalgrens. Vaccineren tijdens de zwangerschap (tegen kinkhoest en griep) gebeurt duidelijk vaker in Vlaanderen.