...

Tegen alle verwachtingen in, zou er onder huisartsen en adviserend geneesheren geen draagvlak bestaan om Bf-geneesmiddelen af te schaffen. Het was één van de verrassende conclusies die dr. Jo Van Rafelghem en dr. Bart Demyttenaere neerpenden in hun masterthesis verzekeringsgeneeskunde (KU Leuven). In onze vorige editie (nr. 2345) gingen we er uitvoerig op in. 'Bf-geneesmiddelen niet afschaffen' was de grote kop op de voorpagina.BetuttelingDat niet iedereen zomaar klakkeloos de conclusies van het tweetal zou slikken, liet zich raden. Het Syndicaat van Vlaamse Huisartsen (SVH) om te beginnen reageert gevat met een parafrase op de titel: 'Schaf de Bf wél af'. Huisartsen ervaren dat de Bf-reglementering een serieuze hinder is in hun praktijk, zegt woordvoerder dr. Steven Haesaert. "En we weten al lang dat de Bf-regelgeving er veeleer om financiële dan om wetenschappelijke redenen gekomen is."De betutteling door de controlerende ziekenfondsartsen is ook vandaag nog veel artsen een doorn in het oog, vervolgt Haesaert. "Denk maar aan de regelneverij over het formaat van het document en het aankruisen van het juiste aantal vakjes." Uiteindelijk blijft de huisarts verantwoordelijk voor de juiste keuze van geneesmiddel. Ziekenfondsen moeten zich dan ook beperken tot hun rol van verzekeraar."In tegenstelling tot wat collega Van Rafelghem in Artsenkrant suggereerde, zijn vitterijen over het juiste formaat van het formulier nog lang niet verdwenen", voegt voorzitter Herman Moeremans toe aan de reactie van zijn woordvoerder. "Het administratief lijden van de huisarts is nog steeds niet voorbij."VervolgvoorschriftenSchaf dus Bf wél af voor de courante huisartsenpathologie, luidt de conclusie van het SVH. "Dat er restricties en regels zijn voor de tweedelijnsgeneesmiddelen vinden we daarentegen wel logisch. Maar ook daar moet het mogelijk zijn dat huisartsen de vervolgvoorschriften vrij kunnen schrijven zonder bijkomende rompslomp."Dokter Moeremans: "Als huisartsen maken we geen bezwaar tegen het instellen van een Hoofdstuk IV voor specifieke nichetherapieën. Steeds vaker zijn vernieuwende therapieën immers gericht op een beperkte groep patiënten die op het tweede of derde echelon mee opgevolgd worden."