Brandweermannen halen katten uit schoorstenen, zuigen volgelopen kelders leeg, doen aan preventie, maar als er brand ontstaat in een petrochemisch bedrijf in de haven van Antwerpen moeten zij wel tussenkomen met de nodige bekwaamheid.

Kinderartsen stellen ongeruste ouders gerust bij milde verkoudheden of diarree, maken gebruik van die schijnbare eenvoudige raadplegingen om aan preventie te doen (obesitas, gedragsproblemen, slaapadvies ea.). Als zij achter die schijnbare banale aandoeningen echter iets ernstigs diagnosticeren, als een pasgeboren kind bij de geboorte een APGAR van 1 heeft, of als een pijnlijke heup een osteosarcoom blijkt te zijn, moeten zij er wel staan met hun bekwaamheid.

Een forse investering in de kindergeneeskunde zou op termijn heel veel leed en uitgaven kunnen besparen

Iedereen weet dat een significante investering in fietspaden (cfr. Kopenhagen) zal leiden tot het meer gebruiken van de fiets, wat de gezondheidsgraad van de bevolking zal verbeteren (meer sport, minder luchtvervuiling, minder files....). Toch moet je op de fietsostrade van Mechelen naar Antwerpen bijna file rijden op stukken die aan Paris-Roubaix doen denken en zijn er nog steeds heel veel zwarte vlekken op de Vlaamse wegen waar het levensgevaarlijk is te fietsen bij gebrek aan financiering.

Zo ook is de financiering van de pediatrie (peanuts volgens sommige beleidsvoerders) ondermaats. Het is niet voor niets dat de kinderartsen onderaan bengelen qua inkomen bij de specialisten, en bovenaan steken wat betreft het percentage dat na zijn pensioen moet blijven werken om nog een decent leven te kunnen leiden.

Het probleem ligt voor een deel bij de kinderartsen zelf. Versnippering van hun vertegenwoordiging, het feit dat kinderartsen bijna uitsluitend klinisch werk doen en weinig tijd hebben om zich met de verdediging van het beroep bezig te houden, het feit dat kinderartsen waarschijnlijk ook minder assertief zijn dan pakweg nefrologen, klinische biologen, radiologen...

Toch zijn de uitdagingen groot en moet men zich afvragen of volgende feiten nog kunnen in een maatschappij die kindvriendelijk beweert te zijn. Een forse investering en/of heroriëntering van de middelen in de kindergeneeskunde zou op termijn heel veel leed en uitgaven kunnen besparen.

  • De financiering van het pediatrisch dagziekenhuis is nagenoeg onbestaand, en de financiering van tijdelijke opnames helemaal onbestaand. Pediatrische diensten die dit wel doen snijden financieel in hun eigen vel, met als gevolg dat heel veel kinderen toch opgenomen worden met meer stress en leed voor ouders en kind, en meer uitgaven voor de maatschappij.
  • Als een van de enige Europese landen worden de pediatrische subspecialiteiten niet erkend, ondanks twee positieve adviezen van de Hoge Raad, maar nooit goedgekeurd door het kabinet. Het gevolg hiervan is dat iedereen zich bv. kinderpneumoloog mag noemen en dat de ouders geen garantie hebben dat de arts die zij raadplegen de vereiste bekwaamheid heeft.
  • Dit uit zich ook in grote verschillen in het uitvoeren van bepaalde technische akten zoals het RIZIV heeft aangetoond. Internationaal kunnen wij geen erkende fellowships aanbieden in de subspecialiteiten. Bepaalde conventies (mucoviscidose, diabetes) stipuleren dat er een kinderpneumoloog of een kinderendocrinoloog in het team moet zijn, maar kinderpneumologen en kinderendocrinologen bestaan niet in België. Wanneer een subspecialist, bv. een kinderpneumoloog, voor advies wordt gevraagd bij een gehospitaliseerd kind, heeft hij geen recht op een vergoeding voor deze geleverde prestatie, dit in tegenstelling tot zijn volwassen evenknie.
  • In de wet over de laagvariabele zorg werd het pasgeboren kind beschouwd als aanhangsel van de moeder en wordt de financiering van de zorgen van een persoon (het pasgeboren kind) bepaald door de gezondheid en de administratieve toestand van een andere persoon (de moeder). Dit is discriminerend, ongrondwettelijk en tegen het Kinderrechtenverdrag. De kinderartsen hebben een vraag tot vernietiging van deze wet en de uitvoeringsbesluiten bij het Grondwettelijk Hof en bij de Raad van State ingediend.
  • Technische prestaties bij kinderen onder de zeven jaar krijgen een bonus van 13% omdat onderzoeken bij kinderen van die leeftijd moeilijker en delicater zijn. Maar de intellectuele prestatie -- de raadpleging van een kinderarts -- die zeker voor kinderen onder de zeven jaar complexer is en langer duurt, krijgt met de gastro-enterologen en de cardiologen (die veel goed terugbetaalde technische prestaties hebben) de laagste honorering. In vele landen, zoals o.m. Zwitserland, Duitsland, Frankrijk, wordt wel een hogere honorering voorzien voor een raadpleging voor een kind onder de zeven jaar. Daarbij hebben alle andere volwassen specialiteiten waar weinig of geen technische prestaties zijn hematoloog, endocrinoloog, ...) recent wel een significante herwaardering van hun honoraria bekomen.
  • Wanneer een internist een ingewikkeld en onopgelost probleem krijgt doorverwezen kunnen zij een speciale code gebruiken die de honorering meer dan verdubbelt. Dit bestaat niet voor de kinderarts alhoewel een enquête bij de nog niet erkende subspecialisten aangetoond heeft dat dit zeker ook te verantwoorden zou zijn. Deze enquête toont immers aan dat een eerste raadpleging van een doorverwezen patiënt naar een nog niet erkende pediatrische subspecialist tussen de 30 en 60 minuten duurt.
  • Met transmurale zorg, onder supervisie van een kinderarts in samenwerking met de behandelende arts, die het mogelijk zou kunnen maken kinderen meer thuis te kunnen behandelen in plaats van in het ziekenhuis staan wij nog nergens.

Dit zijn enkele feiten. Het is nu aan de kinderartsen om zich te organiseren. Hiervoor is een heel nieuwe wind ontstaan. De voorzitters van de verschillende Belgische kinderartsenverenigingen (Belgische Vereniging voor Kindergeneeskunde, Vlaamse Vereniging voor Kindergeneeskunde, Belgische Academie voor Kindergeneeskunde, Groupement Belge des Pédiatres Francophones, Belgische Beroepsvereniging van Kinderartsen) zijn recent samengekomen om te zien hoe zij zich naar de toekomst zouden kunnen organiseren.

Bedoeling is om een betere vertegenwoordiging naar de overheid te bekomen, om de antwoorden op medische en maatschappelijke uitdagingen beter te coördineren, om de doorstroming van informatie naar de kinderartsen, de ouders en de bredere maatschappij meer uniform en efficiënt te laten verlopen.

We hopen dat deze nieuwe wind in de vertegenwoordiging van kinderartsen jongere kinderartsen zal aanzetten om ons beroep te verdedigen, om zo de kwaliteit van zorg voor de kinderen in België te verbeteren. Uiteindelijk vragen wij aan de beleidsvoerders om constructief met ons samen te werken, en om voor hun beleid advies te vragen daar waar de kennis aanwezig is.