Het gesprek springt van smalltalk naar de consultaties van die ochtend, naar een wetenschappelijke presentatie over het toepassingsgebied van rTMS bij jongeren met depressie, tot de stand van zaken van het doctoraat van een van hen. Een doordeweekse lunchpauze dus van een doordeweekse assistent in opleiding in een universitair ziekenhuis.

Tot plots nog twee mensen aanschuiven op de hoek van de tafel. De ene vrij jong, de andere een arts met meer jaren op de teller. De stem van de jongere man klinkt net iets te luid om zijn verhaal te negeren. Hij vertelt blij te zijn omdat hij recent zijn artsencarrière kon starten in een universitair ziekenhuis. Uit de flarden die we opvangen, maken we op dat hij enthousiast zijn onderzoeksplannen toelicht. Zijn tafelgenoot fronst het voorhoofd, knikt ondersteunend of richt zich rustig op de maaltijd. De jeugdige gedrevenheid siert de jonge arts.

Hoe kan het dat zo'n naaste collega, zo'n slecht zicht heeft op ons vakgebied?

Na zijn enthousiaste betoog, verandert zijn toon plots echter. "Het is toch spijtig dat universitaire ziekenhuizen zich met zoveel moeten bezighouden. Zoiets als kinderpsychiatrie bijvoorbeeld, dat hoort toch niet thuis in een universitair ziekenhuis!" Aan onze kant van de tafel wordt het nu erg stil en richten de oren zich discreet doch volledig op het gesprek.

"Dat is toch geen geneeskunde waar je innovatief of echt belangrijk wetenschappelijk onderzoek kan verrichten? Daar zouden universitaire ziekenhuizen zich toch niet mee bezig moeten houden?". De tafelgenoot kijkt de jonge arts aan en haalt vervolgens hoofdschuddend de schouders op. Een wederwoord blijft uit. Onze assistent kijkt verbaasd naar de collega's, die hem met een blik mee naar buiten nemen, weg van dit gesprek.

Eens terug in het staflokaal brengt onze assistent verbouwereerd verslag uit. Hoe kan het dat zo'n naaste collega, zo'n slecht zicht heeft op ons vakgebied? Dat hij niet ziet dat onze doordeweekse ochtend niet zo veel verschilt van de zijne, ook al kennen we zijn discipline niet? We filosoferen er kort over en komen uit bij de klassieker: 'Ongekend blijft onbemind!'.

Vandaar: herkent u zich, ongeacht uw leeftijd, in de gedrevenheid maar ook in de vragen van deze jonge arts? Gun uzelf dan een bezoek aan een afdeling kinder- en jeugdpsychiatrie. Het team zal u ongetwijfeld warm ontvangen en u verlossen van de onnodig belastende twijfels over de vraag waarom ook kinderpsychiatrie thuis hoort in een universitair ziekenhuis.

En aan onze assistent in opleiding en alle jonge collega's met veel jeugdige gedrevenheid en goesting in creatief en innoverend klinisch en wetenschappelijk werk: de wereld van de kinderpsychiatrie biedt massa's mogelijkheden en boeiende medische vraagstukken. Laat je niets anders wijs maken, en wees welkom!