Toegegeven, er is voor alles een plaats, tijdstip en dosering. Dat kan wel eens foutlopen. Zoals die vervelende misplaatste slappe lach wanneer een grappige uitspraak van een patiënt je fantasie dreigt op hol te doen slaan. Weliswaar geheel onschuldig. Zoals de uitspraak "dokter, moet ik die praxifarine nog krijgen?" of "ik heb last van een wipflash". Het zijn gekende triggers die je musculus risorius in ritmisch spasme dreigen te sturen en een startschot kunnen geven aan die andere musculus, het diafragma, dat vervolgens minutenlang kan naschokken. Best vervelend, zeker wanneer de wachttijden oplopen in je overvolle wachtzaal.

Naast deze incidentele of accidentele humor is er ook intentioneel wat aan de hand bij artsen. We hebben onze eigen humorcultuur met inside jokes. Grappen die niet enkel situationeel zijn, maar ook de verschillen tussen disciplines in de verf zetten. De bekende grappen over het ego van de chirurg versus de nerdiness van de internist of het analytisch vermogen van de psychiater of patholoog, hoef ik niet te illustreren. Of toch, heel eventjes, voor de lol.

De chirurg kan zich van het leven beroven door... van zijn ego naar zijn IQ te springen. De internist schiet te laat bij de eendenjacht onder collega's, omdat hij twijfelt over de diagnose; de chirurg schiet onmiddellijk en vraagt de patholoog te gaan kijken of het wel een eend was.

Op café ten slotte, stoeft de chirurg over zijn verschillende geheime relaties en de complexiteit van liegen en bedriegen, waarna de psychiater raaskalt over de openheid van zijn driehoeksrelatie om op zijn beurt van de internist aan te horen dat deze laatste zowel zijn echtgenote als minnares wijsmaakt dat hij bij de ander zit... om dan stiekem te gaan dicteren. Niemand begrijpt ze, die grappen. Ze zijn dom, stereotiep en simplistisch. Maar wij lachen ermee, wat ons gelukkigere en betere artsen maakt.

We hebben onze eigen humorcultuur met inside jokes

Helaas kennen we ook zwarte humor. Na een lange, stressvolle carrière, chronisch slaaptekort, opbouwende frustratie door administratieve overlast en pispaalpraktijken vanwege terecht of onterecht gefrustreerde patiënten, worden we wel eens verleid tot mild spottende ironie. Deze laatste vormt soms een eerste alarmsignaal voor een op ongeloof, in enige goedheid gebaseerd cynisme en zelfs bijtend spottend sarcasme.

Het is een gekend coping mechanisme om met die stress om te gaan. Dat kan een evolutie in onze persoonlijkheid teweegbrengen, een zeker maturiteitsproces dat dreigt te ontsporen en de werksfeer in plaats van grappig en leuk, eerder stresserend, negatief of kwetsend kan maken. Niet zelden is het een voorteken van de helaas erg populaire burn-out of zelfs de voorbode van depressie, waarvoor we ons best behoeden.

Toch is lachen gezond. Biologisch betekent een lachbui endorfinevrijzetting, het gelukhormoon. Ook oxytocine en dopamine boosten, je geluksgevoel dus evenzeer. Cortisol daalt: minder stress. Als je echt veel hilariteit beoefent, oxygeneer je beter, verlies je afvalstoffen (alzeker als je in je broek plast van het lachen) en er zijn zelfs argumenten dat het je immuunsysteem zou versterken. Je zou sneller inslapen en een beter slaapritme ontwikkelen, broodnodig voor artsen.

Bovendien zijn lachende mensen aantrekkelijker: we vinden ze (meestal) sympathieker, het contact verloopt vlotter, ze schrikken minder af en we worden er zelfs sneller verliefd op. Het delen van deze emoties versterkt relaties door een gevoel van openheid, veiligheid en geborgenheid. Psychologisch onderzoek suggereert ook een toegenomen creativiteit door neuronale veranderingen in de hersenpan. Hierdoor stijgt je oplossend vermogen: en hoe belangrijk is dat niet voor een arts? We doen niet anders...

Dus biologisch mogen we niet twijfelen: lachen is gezond, ook voor artsen.

Maar laat het ons vooral leuk en gezellig houden.