Depressie en antidepressiva. Psychose en antipsychotica. Kanker en chemotherapie. Cardiovasculaire aandoeningen en antihypertensiva... Allemaal kennen ze seksuele dysfunctie als vaak voorkomende bijwerking.

Dit is 2019. Bespreekt u het met uw patiënt? Te veel schroom? Bang voor #metoo? Katholiek ziekenhuis, zegt u? Toch niet bij tieners of gepensioneerden? Toch wel, altijd zelfs. Altijd moet u het doen: erover praten voor de opstart van medicatie en tijdens elke bevraging over het effect ervan. Waarom? Compliance, tiens. Patiënten hebben niet de neiging er spontaan over te vertellen, maar zijn wel (eigen)wijs genoeg om op eigen houtje te kappen met die libidovernietigende pillen. Seks is nu eenmaal een belangrijke drijfveer, nietwaar?

Genoeg gepreek. Doe ik het zelf? Erover praten: ja. Maar niet genoeg. Flauwe excuses heb ik daarvoor (en helpende gedachten): de patiënt heeft geen lief (alsof hij daarom pandapunten spaart); hij heeft echt geen seksleven (maar wie heeft er nu een ander nodig om klaar te komen); genezen is belangrijker, dus dat is irrelevant in de balans (misschien voor mij als arts, maar dat hoeft voor hem niet zo te zijn); ze kon mijn grootmoeder zijn (en die heeft ook haar behoeften); de partner zit erbij (perfect, twee vliegen in 1 klap. Nu maak ik het bespreekbaar in de relatie); ze zullen mij raar vinden (ik ben psychiater, natuurlijk vinden ze mij raar).

Toegegeven, soms schrikt een enkeling. Maar meestal niet; dan vertellen ze over hoe ze het als koppel oplossen of waarom ze zo hard tegenstribbelen telkens ze een nieuw voorschrift krijgen: nu je het zegt, dokter. Het weegt. En dr. Google vertelde me dat het door de pillen kwam. Ik ben er dan maar mee gestopt.

Voornemen. Vanaf nu praat ik meer over seks. Met mijn patiënt. Voor een betere compliance. Om beter doel te treffen. Jullie zijn gewaarschuwd.

PS: Ik daag u uit. Doet u het ook? Vaak? En met wie?