Onlangs gooide Luc Van Gorp (Christelijke Mutualiteiten) de knuppel in het hoenderhok. "Willen we onze gezondheidszorg betaalbaar houden, dan moet er minstens één taboe sneuvelen en dat is de hoogte van het artsenloon", stelde hij. Zoals te verwachten viel reageerde dokter Marc Moens als door een wesp gestoken. Hij verdacht de voorzitter van de CM van een verborgen agenda en kreeg al visioenen van een verbod op supplementen. Voor de Belgische Vereniging van Artsensyndicaten wellicht het ultieme horrorscenario. Een interessant topic, maar dat is voor een andere keer. Het zou immers zonde zijn om daarmee het debat over een redelijke verloning te verzuipen.

In de discussie die volgde werd met allerlei bedragen gesmeten. En al zijn er zeker nuances (netto-bruto, afdrachten, ...), toch is iedereen het er over eens dat artsen goed verdienen. Terecht trouwens, want niets is meer waard dan onze gezondheid. Al is dat geen reden om een debat over redelijke grenzen meteen de nek om te wringen.

Lang niet alle artsen hebben het geluk een veelvoud van de premier te verdienen.

In de politiek hebben we ervaring met discussies over toplonen. In moeilijke budgettaire tijden besliste de regering onder impuls van sp.a om de wedde van overheidsmanagers te beperken. De zogenaamde premiernorm bepaalt dat deze managers maximaal 290.000€ mogen verdienen, inclusief bonussen. Voor alle duidelijkheid: dat is nog steeds 60.000€ euro meer dan de premier. Is het gek om wanneer de ziekteverzekering voor enorme uitdagingen staat ook voor artsen een debat te voeren over een redelijk maximumloon? Ter info: "gematigd en bescheiden" zijn niet mijn woorden maar wel de kernbegrippen uit artikel 71 van de code van geneeskundige plichtenleer voor artsen. Een artikel dat handelt over de bepaling van het ereloon.

Mag ik misschien nog een derde kernwoord suggereren? Naast gematigdheid en bescheidenheid is ook gelijkwaardigheid op zijn plaats. Want lang niet alle artsen hebben het geluk een veelvoud van de premier te verdienen. Iedereen erkent dat door scheeftrekkingen in de nomenclatuur de inkomensspanning tussen verschillende specialismen in België enorm is. Zo ontvangt een nierspecialist of een radioloog tot vijf keer meer dan een dermatoloog, geriater of oncoloog. Dat een tijdige kankerdiagnose drie keer minder waard is dan een kiekje van een gebroken arm, krijg je toch aan geen mens uitgelegd? En hoe zou een cardiochirurg zijn dagen vullen als de huisarts de eerste tekenen van hartfalen niet opmerkt? Van Gorp verwijst naar Noorwegen waar de loonspanning maximaal 1,7 bedraagt.

Minister De Block zou de herijking van de nomenclatuur volgend jaar willen aanpakken. Ik ben benieuwd of we dit monster van Loch Ness deze keer te pakken krijgen. Marc Moens deed alvast zijn stinkende best om het naar de bodem te torpederen.

Een beetje bescheidenheid en gematigdheid. En ook wat gelijkwaardigheid tussen de disciplines. Kunnen we daarover een debat voeren of blijven we hangen in taboes?