Vijfendertig jaar zou ik geworden zijn, werd voorspeld, en de laatste jaren zouden ook niet erg kwaliteitsvol zijn geweest. Met een uitgezet en uitgeput hart dat moeite had met het uitpompen van bloed vol zuurstofrijke rode bloedcellen, had ik nooit het jachtige maar gepassioneerde leven kunnen leiden dat ik nu heb.

Een paar weken geleden moest ik opnieuw denken aan de keuze die mijn ouders hebben moeten maken, lang geleden. De keuze tussen hun vierjarige dochter een operatie te laten ondergaan, met een reële kans op zware complicaties en zelfs overlijden, of niets te doen, en de levenskansen van hun kind op lange termijn te zien verdwijnen. Ze kozen, gelukkig voor mij, voor het eerste. De complicaties kwamen, ik kreeg een ernstige longontsteking en verbleef enkele kritieke dagen op intensieve zorgen, maar ik overleefde. Ik leef nu dankzij hun keuze en dankzij de medische wereld, die die keuze mogelijk maakte.

Dus eigenlijk leef ik al twaalf jaar in extra time. Kwaliteitsvolle extra time trouwens. Zelfs al ben ik niet geheel gespaard van gezondheidsproblemen, ze zijn nooit meer levensbedreigend geweest.

Meestal sta ik niet stil bij mijn eigen gezondheid. Zoals ongetwijfeld veel artsen. In mijn job als hematoloog word ik dagelijks geconfronteerd met patiënten die vechten voor hun leven, die zo ziek zijn dat ze alleen maar in hun bed kunnen blijven liggen. Mensen die afzien door de zware behandelingen die ze van ons krijgen. Daardoor begint een mens zijn eigen klachten en kwaaltjes al eens te relativeren. Artsen zijn slechte patiënten, zegt men. Ik moet schromelijk toegeven dat het wel lijkt te kloppen. Toen ik twee jaar geleden een zware beenbreuk opliep, na een val met de fiets, viel de afhankelijkheid mij het allerzwaarst. Hulp vragen is niet mijn sterkste kant, zelfs niet als het noodzakelijk is.

Meestal sta ik niet stil bij mijn eigen gezondheid. Zoals ongetwijfeld veel artsen

Een paar weken geleden moest ik daar opnieuw aan denken. Toen mijn zeer bezorgde collega Eva Van Braeckel mij verbood mijn wacht te doen, en ze achter mijn rug om met mijn topcollega Anna Vantilborgh had afgesproken dat ze mijn wacht zou overnemen. Ik had die daadkracht nodig. Want hoewel ik voelde dat het niet lukte, bleef ik maar voortdoen. Ik zou doorgaan tot ik erbij neerviel.

Er is schade aan mijn longen, een erfenis van die zware longontsteking (en de vele die volgden) net na mijn ingreep als vierjarig meisje met hoogblond haar. Ik ben vaak ziek, maar ik kan het moeilijk aanvaarden. Ik wil geen lijf dat niet meegaat in mijn gulzigheid om te leven, om alles mee te maken. Ik heb een geweldige man en samen hebben we een fantastische zoon, en zij houden me af en toe in een liefdevolle greep, om mij af te remmen. Ik heb dat nodig, dat iemand dat zegt, want zelf blijf ik doorgaan. Ook als ik voel dat het niet lukt. Dat ik, zoals enkele weken geleden, naar adem moet happen in elke zin. Dat ik steeds vaker een druk voel waar mijn hart zit. Net dat hart dat een tweede kans kreeg en ik zou moeten koesteren.

Die gulzigheid, die drang, die wil om te doen, om iets te betekenen, om te helpen, te zorgen, te creëren, is mijn manier geworden om die tweede kans te grijpen. Maar ik begin nu ook te beseffen dat ik moet opletten om die tweede kans niet korter te maken dan ze zou kunnen zijn, net door die gulzigheid.

Eva had het niet verwacht, vertelde ze me onlangs in de lift, dat ik het zou doen. Dat ik zou luisteren naar haar advies. Maar ik ben een goede patiënt geweest. Ik heb de ademhalingskine gevolgd die ze mij heeft voorgeschreven. Bij een geweldige kinesiste, die kinderen en volwassenen met mucoviscidose helpt, die het nog zoveel lastiger hebben dan ik. Elke ochtend doe ik mijn ademhalingsoefeningen, ook al vergen ze kostbare tijd. Want die tijd investeer ik in een geweldig leven, dat ik ooit cadeau heb gekregen. Voor de tweede keer.