Een jaar geleden viel het doek in het spraakmakende euthanasieproces voor het hof van assisen van Gent en daarna zuchtte iedereen: dat nooit meer. Hoe een vermoeden van het niet naleven van procedureregels juridisch leidde tot een beschuldiging van gifmoord begreep niemand.

De klap op de vuurpijl was dat leken ook nog dienden te oordelen over de aantijgingen. Spektakel en theater, applaus op alle banken met een vervolg voor een burgerlijke rechtbank: uiteindelijk alleen verliezers in een weinig verkwikkelijke zaak.

Merkwaardig is dat we een jaar later geen centimeter verder staan. Wanneer straks de Leuvense procureur, die volgens de pers zomaar even tien zaken op zijn bord kreeg, meent dat geen staande maar een zittende magistraat moet oordelen over wat werd aangekaart, staat ons een herhaling te wachten van wat nooit meer zou gebeuren.

Dit vermijden is voor de huidige regering geen prioriteit. Alles wat de klok slaat heet corona en voor een wetsontwerp over euthanasie heeft artsenzoon Vandenbroucke geen tijd. Het stoort hem zelfs niet dat door zijn maatregelen alle kinderen uit een kroostrijk gezin niet aanwezig mogen zijn bij de euthanasie van hun vader en dat alle kleinkinderen niet mogen deelnemen aan de uitvaart van een grootouder. Bezetenheid door cijfertjes is bepalender dan de laatste wens van een stervende en disproportionaliteit is een woord uit een andere tijd.

Alles wat de klok slaat heet corona en voor een wetsontwerp over euthanasie heeft Vandenbroucke geen tijd

Theoretisch is de wetgevende macht de meest aangewezen instantie om door een wetswijziging te voorkomen dat nooit meer gebeurt wat vorig jaar in Gent plaatsvond. De afschaffing van het hof van assisen zou het eenvoudigste zijn. In de aanloop naar het proces omtrent de terroristische aanslagen op de luchthaven van Zaventem en het metrostation Maalbeek werd dit even overwogen maar een bijzondere meerderheid voor een grondwetswijziging was niet te vinden.

Sinds het euthanasieproces werden heel wat wijzigingen aan de wet betreffende de euthanasie aangebracht, maar voor het correctionaliseren van bepaalde overtredingen van de euthanasiewet is zelfs geen enkel wetsvoorstel ingediend. Men kan zich niet van de indruk ontdoen dat het euthanasieproces voor politici niet meer dan een fait divers was dat hooguit enkele dagen nazinderde.

Als de politiek zich niet aangesproken voelt door een gebeurtenis die maatschappelijk voor beroering zorgde, ziet men omzeggens altijd dat belanghebbenden er door lobbywerk in slagen het thema toch op de agenda van de wetgevende Kamer te krijgen.

Hierbij denkt men op de eerste plaats aan de artsen die disproportionele sancties riskeren maar geen enkel medisch syndicaat voelt zich schijnbaar geroepen om daarvoor stappen te ondernemen. Opvallender nog is dat organisaties als Leif en de Federatie palliatieve zorg waarvan een aantal leden regelmatig te maken heeft met de procedure omtrent euthanasie evenmin de trom roeren.

Ook de Federale Controle- en Evaluatiecommissie Euthanasie zwijgt en zegt zelfs in haar negende verslag aan de wetgevende Kamers, unaniem goedgekeurd in de plenaire vergadering van 30 juni 2020 dat "de toepassing van de wet geen noemenswaardige problemen heeft opgeleverd".

Het is de vraag in hoeverre sleutelen aan de huidige euthanasiewet nog zinnig is en vrijwillige levensbeëindiging niet vanuit een andere invalshoek moet bekeken worden.

Het is trouwens de vraag in hoeverre sleutelen aan de huidige wet nog zinnig is en vrijwillige levensbeëindiging niet vanuit een andere invalshoek moet bekeken worden. Men kan er niet naast kijken dat alsmaar meer mensen vanuit een autonomiegedachte zelf over hun leven willen beslissen. Zij willen zelf bepalen wanneer het genoeg is geweest en hoe zij afscheid willen nemen zonder hierbij afhankelijk te zijn van een arts, die bepaalt of er voldoende lijden is, of er een ziekte is en of die voldoende ernstig is. Men wil de regie van het afscheid in eigen handen nemen en wenst daarbij enkel de hulp die men nodig acht.

In heel wat landen is dit bij wet geregeld. Een dergelijke wet vertrekt niet meer zoals de euthanasiewet vanuit de bescherming van de arts, maar vanuit het verlangen en de betrachting van de burger omtrent zijn levenseinde en bepaalt aan welke criteria hulpvrager en hulpverlener moeten voldoen, waaruit de hulp mag bestaan en onder welke omstandigheden de hulp mag worden verstrekt om misbruik te voorkomen.

Een wet betreffende hulp bij zelfdoding die vertrekt van de autonomiegedachte zou voor België een eerste stap in de richting van demedicalisering van het levenseinde zijn en voorkomen dat artsen nog van gifmoord kunnen beschuldigd worden als zij daar gebruik van maken . De wens van "dat nooit meer" zou werkelijkheid worden.

Een jaar geleden viel het doek in het spraakmakende euthanasieproces voor het hof van assisen van Gent en daarna zuchtte iedereen: dat nooit meer. Hoe een vermoeden van het niet naleven van procedureregels juridisch leidde tot een beschuldiging van gifmoord begreep niemand. De klap op de vuurpijl was dat leken ook nog dienden te oordelen over de aantijgingen. Spektakel en theater, applaus op alle banken met een vervolg voor een burgerlijke rechtbank: uiteindelijk alleen verliezers in een weinig verkwikkelijke zaak.Merkwaardig is dat we een jaar later geen centimeter verder staan. Wanneer straks de Leuvense procureur, die volgens de pers zomaar even tien zaken op zijn bord kreeg, meent dat geen staande maar een zittende magistraat moet oordelen over wat werd aangekaart, staat ons een herhaling te wachten van wat nooit meer zou gebeuren.Dit vermijden is voor de huidige regering geen prioriteit. Alles wat de klok slaat heet corona en voor een wetsontwerp over euthanasie heeft artsenzoon Vandenbroucke geen tijd. Het stoort hem zelfs niet dat door zijn maatregelen alle kinderen uit een kroostrijk gezin niet aanwezig mogen zijn bij de euthanasie van hun vader en dat alle kleinkinderen niet mogen deelnemen aan de uitvaart van een grootouder. Bezetenheid door cijfertjes is bepalender dan de laatste wens van een stervende en disproportionaliteit is een woord uit een andere tijd.Theoretisch is de wetgevende macht de meest aangewezen instantie om door een wetswijziging te voorkomen dat nooit meer gebeurt wat vorig jaar in Gent plaatsvond. De afschaffing van het hof van assisen zou het eenvoudigste zijn. In de aanloop naar het proces omtrent de terroristische aanslagen op de luchthaven van Zaventem en het metrostation Maalbeek werd dit even overwogen maar een bijzondere meerderheid voor een grondwetswijziging was niet te vinden.Sinds het euthanasieproces werden heel wat wijzigingen aan de wet betreffende de euthanasie aangebracht, maar voor het correctionaliseren van bepaalde overtredingen van de euthanasiewet is zelfs geen enkel wetsvoorstel ingediend. Men kan zich niet van de indruk ontdoen dat het euthanasieproces voor politici niet meer dan een fait divers was dat hooguit enkele dagen nazinderde.Als de politiek zich niet aangesproken voelt door een gebeurtenis die maatschappelijk voor beroering zorgde, ziet men omzeggens altijd dat belanghebbenden er door lobbywerk in slagen het thema toch op de agenda van de wetgevende Kamer te krijgen. Hierbij denkt men op de eerste plaats aan de artsen die disproportionele sancties riskeren maar geen enkel medisch syndicaat voelt zich schijnbaar geroepen om daarvoor stappen te ondernemen. Opvallender nog is dat organisaties als Leif en de Federatie palliatieve zorg waarvan een aantal leden regelmatig te maken heeft met de procedure omtrent euthanasie evenmin de trom roeren.Ook de Federale Controle- en Evaluatiecommissie Euthanasie zwijgt en zegt zelfs in haar negende verslag aan de wetgevende Kamers, unaniem goedgekeurd in de plenaire vergadering van 30 juni 2020 dat "de toepassing van de wet geen noemenswaardige problemen heeft opgeleverd".Het is trouwens de vraag in hoeverre sleutelen aan de huidige wet nog zinnig is en vrijwillige levensbeëindiging niet vanuit een andere invalshoek moet bekeken worden. Men kan er niet naast kijken dat alsmaar meer mensen vanuit een autonomiegedachte zelf over hun leven willen beslissen. Zij willen zelf bepalen wanneer het genoeg is geweest en hoe zij afscheid willen nemen zonder hierbij afhankelijk te zijn van een arts, die bepaalt of er voldoende lijden is, of er een ziekte is en of die voldoende ernstig is. Men wil de regie van het afscheid in eigen handen nemen en wenst daarbij enkel de hulp die men nodig acht. In heel wat landen is dit bij wet geregeld. Een dergelijke wet vertrekt niet meer zoals de euthanasiewet vanuit de bescherming van de arts, maar vanuit het verlangen en de betrachting van de burger omtrent zijn levenseinde en bepaalt aan welke criteria hulpvrager en hulpverlener moeten voldoen, waaruit de hulp mag bestaan en onder welke omstandigheden de hulp mag worden verstrekt om misbruik te voorkomen.Een wet betreffende hulp bij zelfdoding die vertrekt van de autonomiegedachte zou voor België een eerste stap in de richting van demedicalisering van het levenseinde zijn en voorkomen dat artsen nog van gifmoord kunnen beschuldigd worden als zij daar gebruik van maken . De wens van "dat nooit meer" zou werkelijkheid worden.