'Aanpak van chronische nek- en rugpijn herzien'

17/04/18 om 10:19 - Bijgewerkt om 10:24

Rug- en nekpatiënten moeten leren om vrijuit te bewegen en mogen niet bang zijn voor pijn. Dat stellen onderzoekers van de VUB en van de Universiteit Gent in een grootschalige studie die deze week in JAMA Neurology verscheen.

'Aanpak van chronische nek- en rugpijn herzien'

© -

De zorg die van oudsher wordt toegepast, is een combinatie van behandeling van de rug- en nekpijn en algemene oefentherapie. Bij deze biomedische aanpak behandelt de arts of de therapeut de specifieke dysfuncties in spieren en gewrichten. VUB-onderzoekster Anneleen Malfliet: "We moeten afstappen van het zoeken naar een verklaring in de spieren en gewrichten van de patiënt met nek- of rugpijn."

Uit het onderzoek blijkt dat een programma waarbij patiënten geleerd wordt niet bang te zijn voor pijn en oefeningen worden geïntroduceerd waarbij pijn niet wordt vermeden, effectiever is dan de traditionele behandelingswijze. Bij de nieuwe behandeling moet de kennis en functionaliteit van de patiënt met chronische nek- of rugpijn voorop staan.

Uitdagende bewegingen

De pijneducatie voor de patiënt, waar het nieuwe onderzoek voor pleit, bestaat uit een zeer gedetailleerde uitleg van wat er in het zenuwstelstel gebeurt bij chronische pijn. De oefeningen die volgens het onderzoek van de VUB en de UGent daarbij moeten worden gedaan, bestaan uit uitdagende bewegingen en activiteiten die de patiënt als pijnlijk ervaart of zelfs vermijdt.

Dat is de beste manier om de pijn te reduceren en de mentale en fysieke functionaliteit te verbeteren, luidt het. Veiligheidsgedrag is daarbij uit den boze. De grote richtlijn van deze behandeling is dat de patiënt moet kunnen wat hij voor de pijnklachten kon.

De studie is uitgevoerd door Vrije Universiteit Brussel, Vakgroep Kinesitherapie, Menselijke Fysiologie en Anatomie (KIMA), Prof. Dr. Jo Nijs, en Anneleen Malfliet; Universiteit Gent, Vakgroep revalidatiewetenschappen en kinesitherapie, Prof. Dr. Lieven Danneels, Prof. Dr. Barbara Cagnie, Prof. Dr. Mira Meeus, en Dr. Jeroen Kregel.