Moet je zwangerschapsdiabetes vroeger opsporen (en behandelen)?

08/10/18 om 11:17 - Bijgewerkt om 13:12

Volgens een recent literatuuroverzicht zijn de perinatale sterfte en de frequentie van neonatale hypoglykemie hoger als een diagnose van zwangerschapsdiabetes vroeg wordt gesteld, voor de 24e zwangerschapsweek dan als de diagnose klassiek tussen week 24 en week 28 wordt gesteld volgens de criteria van de WGO van 2013, ondanks het starten van een correcte behandeling.

Moet je zwangerschapsdiabetes vroeger opsporen (en behandelen)?

dr. Anne Wambergue © ak

Belangrijk om te vermelden zijn enerzijds dat de studies die voor het literatuuroverzicht werden doorgenomen, zeer heterogeen waren qua gescreende populatie, diagnostische criteria en interventies, en anderzijds dat veel vrouwen bij wie een vroege diagnose van zwangerschapsdiabetes werd gesteld, de vereiste diagnostische criteria niet meer vertoonden tussen week 24 en week 28.

Tegen die achtergrond werd een Franse monocentrische studie uitgevoerd, die werd gepresenteerd door Anne Wambergue (OP09-50). Voor die studie hebben de auteurs de gegevens doorgenomen van 2948 vrouwen die werden gerekruteerd tussen februari 2011 en december 2016 en die minstens één risicofactor vertoonden (leeftijd ≥ 35 jaar, BMI ≥ 25 kg/m2, familiaire voorgeschiedenis van diabetes, persoonlijke voorgeschiedenis van diabetes of macrosomie). Een vroeg ontdekte diabetes werd gedefinieerd als een nuchtere glykemie ≥ 5,1 mmol/l. Bij de andere vrouwen werd een orale glucosetolerantietest met 75 g glucose uitgevoerd tussen week 24 en week 28 om een late zwangerschapsdiabetes op te sporen.

Bij 1441 vrouwen werd de diagnose gesteld en werd een behandeling gestart in het begin van de zwangerschap (< 20 weken) en bij 1474 later in de zwangerschap (24-28 weken).

Het primaire eindpunt was een voor de zwangerschapsleeftijd grote lichaamslengte (LGA, percentiel > 90 voor de zwangerschapsleeftijd gecorrigeerd voor het aantal vroegere zwangerschappen, het geslacht van de foetus en biometrische gegevens van de moeder) na correctie voor vertekenende factoren zoals de leeftijd, het aantal vroegere zwangerschappen en de BMI voor de zwangerschap.

Alle vrouwen werden behandeld conform de Franse richtlijnen (klassieke niet-farmacologische maatregelen, streefwaarde voor de glykemie < 5,1 mmol/l nuchter en ≤ 6,7 twee uur na de maaltijd, toediening van insuline als de glykemie niet onder controle kwam met niet-farmacologische maatregelen).

Er was geen significant verschil in leeftijd en het aantal vroegere zwangerschappen tussen de twee groepen. Vrouwen met een vroege zwangerschapsdiabetes hadden een hogere BMI (p < 0,001) en werden vaker behandeld met insuline (41,2% versus 22,4% p < 0,001) dan vrouwen met een late zwangerschapsdiabetes. Het gemiddelde HbA1c-gehalte was echter significant lager in de groep met een vroege zwangerschapsdiabetes dan in de groep met een late zwangerschapsdiabetes (p < 0,001).

Er was dan ook geen significant verschil in de frequentie van LGA tussen de groepen. Bij multivariate analyse werd geen significant verband vastgesteld tussen het ogenblik waarop de diagnose werd gesteld, en LGA (RR: 1,07; 95% BI 0,88-1,30). Schouderdystocie kwam echter significant vaker voor in de groep met een vroege zwangerschapsdiabetes (p < 0,05). Er zouden dus dringend gerandomiseerde, gecontroleerde, prospectieve studies op touw moeten worden gezet om de voor- en nadelen van opsporing en behandeling van vroege zwangerschapsdiabetes te evalueren. Momenteel loopt zo'n studie (LEMA-GDM, Late versus Early MAnagement of Gestational Diabetes Mellitus) in 31 Franse ziekenhuizen. Te volgen.

Dr. Jean-Claude Lemaire, EASD 2018 Berlijn, 1-5 oktober.