Topambtenaar Pedro Facon over de Galenusprijs, innovatie en de rol van de overheid

01/06/17 om 12:25 - Bijgewerkt om 17:46

Bij de uitreiking van de Galenusprijs dinsdag jongstleden sprak Pedro Facon, directeur-generaal bij de Federale Overheidsdienst Volksgezondheid, een redevoering uit waarin hij het belang van de Galenusprijs belichtte. Daarnaast liet de topambtenaar zijn licht schijnen over de manier waarop de overheid zich organiseert inzake gezondheidszorg, of zich volgens hem zou moeten organiseren. We geven u de integrale speech.

Topambtenaar Pedro Facon over de Galenusprijs, innovatie en de rol van de overheid

Topambtenaar Pedro Facon bij de uitreiking van de Galenusprijs 2016 © -

Dames en heren,

Wat zou Claudius Galenus denken als hij voor de gelegenheid even uit de doden was gewekt om vanavond in ons gezelschap de Galenusprijzen uit te reiken?

Om te beginnen zou hij zonder twijfel de Artsenkrant feliciteren met de organisatie van deze gala-editie voor de prijs die - tot zijn grote verbazing - zijn naam draagt. Inderdaad, een 35ste verjaardag, of met andere woorden een koralen jubileum, dat kan al tellen. Na 35 jaar mag men zeggen: al een mooie tijd achter de rug, al wat mogen en kunnen opbouwen, in de fleur van het leven, en tegelijk de gedachte dat het beste nog moet komen. Althans, dat durf ik te hopen, zelf midden dertiger zijnde. In elk geval: ik ben ervan overtuigd dat mijn connotaties bij een koralen jubileum van toepassing zijn voor de Galenusprijzen, die de voorbije decennia zijn uitgegroeid tot een hoogmis voor innovatie in de sector van geneesmiddelen en meer recent ook de sector van de medical devices. Een hoogmis waar de fine-fleur van de gezondheidswereld, van onderzoekers over ondernemers, tot beleidsmakers en gezondheidszorgprofessionals, niet willen wegblijven, zoals vanavond eens te meer mag blijken.

Terug naar Claudius Galenus, die bijzondere man die bijna 2000 jaar geleden inzicht probeerde te krijgen in het functioneren van het menselijk lichaam en in hoe dat functioneren verbeterd kon worden. Geboren in Pergamum in Klein-Azië, wat toen nog het Griekse rijk was maar vandaag Turkije is, zou alvast de gladiatorengevechten, waar hij overigens ook als arts optrad, moeten missen. De plaatsen waar deze gevechten zich afspeelden, mogen in Turkije nu zelfs de naam "arena" niet meer dragen, zo besliste een weinig verlicht despoot nog vorig weekend.

Claudius Galenus zou vooral staan kijken welke vlucht de gezondheidszorg heeft genomen. Tot de Renaissance bleef Galenus zowat dé autoriteit inzake medische wetenschap. Maar vanaf dan ging het snel en steeds sneller, zeker vanaf het begin van de 19e eeuw. De trein van medische innovatie blijft sindsdien maar aantrekken. Naar mijn gevoel benoemen we dit fenomeen nog te weinig. Niet alle sectoren zijn even bescheiden. In de wereld van de ICT werd 50 jaar geleden zowaar een Wet van Moore afgekondigd die voorspelde dat de snelheid van de computerchips elke twee jaar zou verdubbelen tegen eenzelfde kost. Een wet die de jongste jaren wat onder druk is komen te staan omdat wordt vastgesteld dat die verschroeiende snelheid nog moeilijk haalbaar is.

Heeft de medische wereld ook geen recht op zijn eigen wet? Ik zeg maar wat: een wet van Galenus? Is de innovatie daar niet even spectaculair geweest als in de technologische wereld? Het is een retorische vraag. Denk alleen al aan basisindicatoren zoals de levensverwachting bij geboorte, of de evolutie van de kindersterfte. De opkomst van een volksgezondheidsbeleid, met aandacht voor hygiëne en infectiebestrijding, was een eerste hefboom voor meer gezondheid voor de mensen. In de tweede helft van de 20ste eeuw werd een volgende boost gegeven door meer geavanceerde innovatie inzake geneesmiddelenontwikkeling, medische technieken, verfijning van zorgprocessen, beter getrainde gezondheidszorgprofessionals, de ontplooiing van de ziekteverzekering, e.d.m. En we maken nu met zijn allen de voltrekking van een volgende gezondheidsrevolutie mee, nl. die van de personalized medecine, het integreren en digitaliseren van zorg en - last but not least - de empowerment van de patiënt.

De jaarlijkse uitreiking van de Galenusprijzen neemt ons mee in de innovatietrein die door de gezondheidssector dendert. Over de wetenschappelijke en technische grondslagen en finesses van de kandidaten voor dit jaar zal ik voor een zaal vol onderzoekers en gezondheidszorgprofessionals wijselijk zwijgen. Als beleidsmaker mogen we wel een aantal trends proberen te benoemen. In de geneesmiddelensector kan men moeilijk naast de opkomst van de immunotherapieën kijken: al vorig jaar gingen enkele producten in deze categorie met de Galenusprijzen lopen en ook dit jaar zijn er nogal wat kandidaten in deze categorie.

Meer in het algemeen mag gesteld worden dat de kandidaten zowel binnen de categorie geneesmiddelen als de categorie medical devices zich volop richten op die aandoeningen die door de maatschappij als aartsvijand van de gezondheid zijn uitgeroepen, nl. kanker en cardiovasculaire aandoeningen. Er kan inderdaad gezegd worden dat de innovatiekracht van de geneesmiddelensector en de sector medische hulpmiddelen ten dienste wordt geplaatst van de maatschappelijke bekommernissen.

Wat ik ook wil opmerken, is dat innovatiekracht niet enkel zichtbaar wordt in zeer geavanceerde, voor de gewone sterveling vaak duizelingwekkende nieuwe diagnostische en therapeutische middelen, maar ook in meer down-to-earth oplossingen. Oplossingen die, eerder dan op het genezen van mensen, vooral gericht zijn op het realiseren van een kwaliteitsvoller leven van mensen. Eén kandidaat voor de Galenusprijzen voor 2016 vertrekt bijvoorbeeld vanuit de realiteit dat maar liefst 6% van onze bevolking aan gehoorproblemen lijdt die het professionele en sociale leven bemoeilijken, een problematiek die - daar ben ik zeker van - zowat iedereen in deze zaal in zijn eigen omgeving terug kan vinden bij gezinsleden, vrienden of familie. Een andere kandidaat richt zich op de ondersteuning van thuishospitalisatie en -zorg door middel van telegeneeskunde en -monitoring. Onterecht worden dit soort innovaties soms als evident en als reeds verworven beschouwd.

Geachte aanwezigen,

Innovatie in de gezondheidssector komt niet vanzelf tot stand en komt ook niet vanzelf tot bij de patiënt. Een complex samenspel van factoren vormen samen het gezondheidssysteem. Naast de know-how van onze onderzoekers en ondernemingen in de gezondheidssector, is er even goed nood aan robuuste financiering van wetenschappelijk onderzoek, van het gezondheidsbeleid en van de ziekteverzekering; aan betrouwbare informatie op basis waarvan beleid en besluitvorming kan worden gebaseerd; aan competente en gemotiveerde gezondheidsprofessionals; aan state-of-the-art gezondheidsfaciliteiten die kwaliteitsvolle zorg kunnen verstrekken, e.d.m.

De overheid is ook een belangrijke factor in het gezondheidssysteem. Deze rol situeert zich op het vlak van het overzien, aansturen, reguleren en faciliteren van het gezondheidssysteem. De Wereldgezondheidsorganisatie noemt dit de stewardship-functie. Elk land maakt van de gezondheid van zijn burgers een prioriteit. De overheid speelt een cruciale rol bij het verzoenen van waarden, doelstellingen, beleidsinstrumenten en budgetten voor gezondheidszorg.

We zouden België niet zijn als onze overheid, ook - en misschien vooral - in de gezondheidszorg, niet gekenmerkt zou worden door de nodige complexiteit in zijn architectuur en modi operandi. En misschien af en toe zelfs een snuifje surrealisme. Wat ik zeker niet zal doen vanavond, is mijn eigen dienst proberen te profileren of te positioneren tegenover, of zelfs tegen de andere zeven gezondheidsadministraties die onze federale overheid rijk is. Wel integendeel, laat dat nu immers net zijn waar het werkveld en alle belanghebbenden in de gezondheidszorg in elk geval geen nood aan hebben.

Vanuit mijn bestuurskundige achtergrond heb ik een diepe overtuiging dat de wijze waarop we beleid maken, alsook de wijze waarop we onze overheid organiseren, kritieke hefbomen zijn om een betere gezondheidszorg en dus een betere gezondheid voor onze burgers te realiseren.

Wat de organisatie van de overheid betreft, moeten we resoluut de verkokering verlaten en de verschillende overheidsdiensten beter laten samenwerken. De redesign van de federale gezondheidsadministraties, waar ik me toch wat geestelijke vader van durf te voelen, is een complex, moeilijk, maar noodzakelijk en onontkoombaar gegeven. De essentie ervan is een copernicaanse omwenteling om de klanten en partners van onze overheidsadministraties centraal te plaatsen en de vandaag versplinterde dienstverlening stelselmatig te stroomlijnen en waar mogelijk zelfs te integreren. Om een toepasselijk voorbeeld te geven: het beleid inzake geneesmiddelen en medische hulpmiddelen is zowel een zaak van volksgezondheid - denken we aan kwaliteit van farmaceutische zorg, evidence-based medecine en practice -, een zaak van ziekteverzekering - dus terugbetaling -, als een zaak van veiligheid - denk aan access, vigilantie, enz.. Meer beleidsmatige en beheersmatige coherentie tussen de FOD Volksgezondheid, het RIZIV en het FAGG zal leiden tot meer slagkracht, meer doelgerichtheid en dus ook meer doeltreffendheid en efficiëntie.

Ik weet het wel: een dergelijke omwenteling is in een land met een incrementalistische bestuurscultuur niet evident. Noodzakelijke hervormingen worden vaak te lang voor ons uitgeschoven: eerst wordt de noodzaak ervan genegeerd, vervolgens gecontesteerd, tot slot niet zelden door de een en ander gesaboteerd. Van goed idee over beleid tot realiteit is daardoor vaak een struggle for life en survival of the fittest, een soort van processie van Echternach. Goede ideeën en krachtige beleidsintenties worden daardoor vaak verdund. Beleidmatige verdunning dus - en ik begeef me op gevaarlijk metaforisch terrein - die iets wegheeft van de beginselen van de homeopathie: we weten allen wat we mogen verwachten van dat soort verdunning. Wat er ook van zij: de liefhebbers van hoe het de hervormingsintenties in de gezondheidszorg vergaat, kunnen hun toevlucht zoeken tot de Artsenkrant, die, althans bij mij, op vrijdag in de bus valt. Inderdaad, het zet menig beleidsmaker zo net voor het weekend niet zelden met de voeten op de grond.

Niet enkel de organisatie en dienstverlening van de overheid verdient een make-over of redesign, ook de manier waarop beleid gemaakt wordt, vereist een nieuwe aanpak. Ik denk te mogen zeggen dat we de in de huidige legislatuur ter zake wel echt een steen hebben verlegd. Met "we" bedoel ik dan de minister en haar Beleidscel, de administraties en de sector. De vele hervormingen die sinds eind 2014 zijn gelanceerd, worden allen gekenmerkt door een gelijkaardige - als ik mag: innovatieve - governance. Per groot hervormingsdomein werd een plan van aanpak opgesteld. Daarbij werd vertrokken van een grondige analyse en diagnose van het huidige beleid en zijn effecten. Vervolgens werden doelstellingen geformuleerd en vertaald naar actie-verbintenissen met streefdata en verantwoordelijkheden. Beleidsmatige meerjarenkaders, gekoppeld aan budgettaire meerjarentrajecten werden ontwikkeld. En dit alles, van diagnose tot remedie, binnen een zeer nauw overleg met de stakeholders. Het Toekomstpact voor de patiënt met de farmaceutische industrie was het eerste plan van aanpak dat op deze leest werd geschoeid. Ik durf het nog steeds een echt succes noemen. Perfect (?), dat niet, maar toch een basis voor stabiliteit en samenwerking tussen politiek, administratie en sector. Na dit Toekomstpact volgden gelijkaardige strategische oefeningen wat eGezondheid betreft, wat de hervorming van de organisatie en financiering van de ziekenhuizen betreft, wat de toekomst van de ziekenfondsen betreft, wat de ontwikkeling van evidence-based practice betreft, wat de hervorming van de gezondheidszorgberoepenwetgeving betreft, wat de meerjarenvisie voor de apothekers betreft, en natuurlijk moet ik ook het Pact inzake medical devices vermelden in deze context.

Er wordt over al die pacten, plannen en meerjarenkaders al eens smalend gedaan, ik weet het wel. Ook dat lees ik wel eens op een vrijdagavond. Al die hervormingen, alles tegelijkertijd. Is dat wel realistisch en haalbaar? Zal dat wel allemaal landen? Is het niet een beetje teveel van het goede? Sta me toe er toch even op te wijzen dat de hervormingsdrang en misschien -dwang van het moment vooral het resultaat is van jaren en decennia beleidsmatige sclerose. Iedereen in de sector riep om hervorming, iedereen wou verandering. Draaiboeken of recepten lagen in 2014 echter nauwelijks klaar. Nu worden ze één voor één neergelegd. Toegegeven, niet alles zal in 1-2-3 gerealiseerd kunnen worden. Niet alles zal succesvol zijn. Maar ik ben altijd benieuwd welke hervormingen de criticasters dan bijvoorbeeld minder prioritair of zelfs overbodig vinden. Ik hoor het graag, want in alle eerlijkheid: ook de beleidsmakers en de administraties happen soms naar adem in het zwembad van hervormingen. De minister en de Beleidscel hebben een zeer ambitieuze agenda neergelegd. En ook in de administraties vereist de strakke hervormingsagenda heel wat inspanningen: naast de dagelijkse business dient immers heel wat aandacht besteed te worden aan de hervormingsprojecten. Men mag rustig stellen dat de capaciteit daartoe nog niet altijd geheel op punt staat. Bovendien worden de administraties tegelijkertijd geconfronteerd met strakke besparingen. Tussen 2010 en 2015 zakten bv. de personeelsuitgaven al met 15%; daar komt in deze legislatuur nog eens 12% besparing bovenop. De werkingsuitgaven zakken in deze legislatuur met 28%, de investeringsuitgaven met 33%. Ik zeg dit niet om te jammeren of excuses te zoeken: wel is het zonneklaar dat het meer doen - veel meer doen - met minder - veel meer minder - de uitvoering van de hervormingsagenda impacteert. Reden te meer om de redesign-oefening binnen de gezondheidsadministraties inderdaad met durf aan te pakken; het is een pure noodzaak.

U merkt het misschien, maar ik voel me in het gezelschap van deze avond comfortabel en ongeremd om de uitdagingen van de ambitieuze hervormingsagenda op scherp te stellen. De daarstraks vernoemde ingrediënten van de innovatieve beleidsvoering die we de voorbije jaren geïntroduceerd hebben in de federale gezondheidszorg, zijn immers herkenbaar voor onderzoekers en de industrie. Het denken in termen van een meerjarenstrategie op basis van grondige omgevings- en trendanalyse. Het maken van business cases met het oog op het vaststellen van doelstellingen, prioriteiten en het targeten van investeringen. Het durven nemen van risico's, het delen van risico's en het responsabiliseren, zoals bv. ook gebeurd in het kader van het geneesmiddelenbudget, het opzoeken van synergieën en samenwerkingsverbanden. Misschien - ik wik mijn woorden - misschien meer dan sommige andere stakeholders in de gezondheidszorg, behoren deze aanpak en mechanismen tot het DNA van de farmaceutische en device industrie, gewoonweg doordat ze in een competitieve marktomgeving actief zijn die noopt tot voortdurend verbeteren en durven ondernemen en risico's nemen. Innoveren of verdwijnen, dat is de realiteit. Sommige andere stakeholders lijken soms met meer koudwatervrees aan de onderhandelingstafel met het beleid en de overheid te komen. Men lijkt te denken dat de broodnodige hervormingen misschien toch nog afwendbaar zijn. Of dat de gematigde groei van de gezondheidszorguitgaven een zeer tijdelijk fenomeen is. Wie de macrocijfers en de fundamentals van de NV België bekijkt, weet beter, en neemt de vlucht vooruit. Ik blijf evenwel optimistisch als ik vaststel dat over de verschillende sectoren heen de oude vormen en gedachten, vaak nog in een soort van conflictmodel met andere actoren binnen het overlegmodel en met de beleidsverantwoordelijken, stilaan plaats ruimen voor een verhaal dat gericht is op samenwerking over alle kokers en actoren heen. Want ook die trend is wel degelijk merkbaar voor de scherpe waarnemer.

Geachte aanwezigen,

De vooruitgang die onze gezondheidszorg de voorbije decennia en jaren heeft geboekt is ronduit spectaculair. Het tempo van de innovatie die het leven van zovele mensen gezonder en beter kan maken, ligt bovendien bijzonder hoog, zodat we ons ook de komende jaren en decennia mogen verwachten aan verdere doorbraken. De Galenusprijzen zijn een eerbetoon aan de denkers, durvers en doeners die binnen een welbepaald domein van de gezondheidszorg - de farmacologie, de geneesmiddelensector en de sector van de health devices - de grenzen van het mogelijke elke dag verleggen. Zonder hen zou het leven van onze ouders, van onze kinderen, van onszelf, minder kwaliteitsvol zijn, of misschien zelfs gewoon niet zijn. De kandidaten en laureaten van de Galenusprijzen die vanavond de revue passeren, zijn exponenten van die zoektocht naar een beter leven voor ons allen. Ik denk dat ik namens ons allen spreek, als ik daarvoor onze bewondering en onze dank uitspreek.

Dames en heren,

Om ons allen met de vele lofbetuigingen toch niet in zelfgenoegzaamheid te storten: om Claudius Galenus bij een volgende feesteditie echt onder ons te hebben, ligt nog wat werk op de plank. Na het genezen van de levenden volgt, wie weet, het tot leven wekken van de doden. Een kluifje naar de bek van onze geneesmiddelenindustrie, lijkt me. En om Galenus vervolgens van Klein-Azië tot in Groot-Bijgaarden te brengen, zonder al te veel fileleed of zonder geluidsoverlast en bijhorende boetes door het vliegverkeer rond Zaventem, zou teleportatie geen overbodige luxe zijn. Daar kan de medical devices sector dan weer voor zorgen. Werk aan de winkel dus. The game is on.

Ik dank u.