Guy Tegenbos
Column

01/03/18 om 21:00 - Bijgewerkt op 02/03/18 om 10:36

Over drang en dwang

Afgelopen week kwam de werking van de menselijke hersenen tweemaal in het nieuws.

De advocaat van dokter André Gyselbrecht vroeg plots de vrijspraak van zijn cliënt, hoewel die bekend heeft. Waarom? 'Omdat het zo'n brave mens is.' Dat argument was al controversieel. Het tweede was dat nog meer: de dokter zou 'geen andere uitweg gezien hebben' dan de opdracht geven zijn schoonzoon te vermoorden. De advocaat zag in hem 'een dwang opwellen' en die dwang was 'onweerstaanbaar'. Hij kon niet anders. Vandaar de vraag tot vrijspraak.

Doorgaans wordt 'onweerstaanbare dwang' ingeroepen bij passionele moorden die plots gepleegd worden. Bij Gyselbrecht zou de onweerstaanbare dwang maanden aangesleept hebben en tot een langdurige en ingewikkelde voorbereiding van de moord geleid hebben. Merkwaardig. Het begrip onweerstaanbaar dook ook op in de assisenzaak over moordenaar Renaud Hardy. De Nederlandse 'topdokter' en neuroloog Chris van der Linden was opgeroepen door de verdediging. Hij zegde dat het geneesmiddel tegen parkinson dat Hardy voorgeschreven kreeg, én het gelijktijdig overvloedig gebruik van cocaïne en alcohol, samen de oorzaak vormden van een IPC, een impulscontrolestoornis. Die uitte zich in diverse pathologische gedragingen bij Hardy, waaronder seksverslaving en extreme agressie. 'Hij kon niet anders.' Ook hier werd dus een 'onweerstaanbare dwang' ingeroepen, en ook hier als ultieme coup de théâtre van de verdediging.

De neuroloog was zeer overtuigend. Toxicoloog professor Jan Tytgat bracht evenwel een onderscheid aan. Hij liet in De Standaard verstaan dat die combinatie wel kan leiden tot een drang, maar dat die te weerstaan is. Drang is niet hetzelfde als dwang. Opvallend is dat in beide gevallen die 'onweerstaanbare dwang' op het einde ter tafel is gelegd, als ultieme wapen van de verdediging. Een rustig tegensprekelijk debat onder wetenschappers is dan niet meer mogelijk. De volksjury of juristenrechters beslissen dan welke psychiatrische of neurologische diagnose de juiste is. Dat voelt heel ongemakkelijk aan.

Ik kijk dan op naar Nederland. In België is forensische psychiatrie een zaak van individuen die zichzelf deskundig noemen en ingehuurd worden door een rechter of een advocaat die hen kent, waarna de tegenpartij ook een expert inhuurt om het tegenovergestelde te bepleiten.

Tegengestelde expertenrapporten komen ook in het Nederlandse gerecht nog voor. Maar veel minder. Daar is er een Nederlands Instituut voor Forensische Psychiatrie dat alle forensische psychiaters bundelt. Daar is er ook een Expertisecentrum Forensische Psychiatrie dat aan kennisopbouw doet en dat 'de referentie' is. En daar is er ook het Pieter Baan Centrum: een diagnostische observatiekliniek waar al wie verdacht wordt van een ernstig misdrijf, meerdere weken geobserveerd wordt door een multidisciplinair team, vóór de rechtszaak begint.

Het samenspel van die drie instellingen lost niet alle betwistingen op, maar geeft wel een veel degelijkere en professionele onderbouwing aan de forensische psychiatrie. Die mis ik hier. Journalistiek is een coup de théâtre zoals er afgelopen week opdoken, heel leuk; inhoudelijk is daar echter geen goede kant aan. Het is slecht voor beklaagden en slachtoffers, slecht voor de gemeenschap, slecht voor het gerecht, en slecht voor de reputatie van de psychiatrie.