Guy Tegenbos
Column

04/05/17 om 10:30 - Bijgewerkt op 15/06/17 om 12:35

Is een beperking van het aantal artsen nog nodig?

Op de vooravond van de 20ste verjaardag van de Vlaamse Toelatingsproef Geneeskunde (3 juli 2017), beslisten de Franstalige politici dat ze de federale wet van 1996 ook gaan naleven. Er komt in Franstalig België ook een toelatingsproef die de aangroei van het artsenkorps inperkt.

Als iedereen die afspraak naleeft - dat zou wel de eerste keer zijn in dit dossier - kan federaal minister Maggie De Block die koppig op deze nagel bleef hameren, de oplossing van een communautair probleem op haar conto schrijven.

Het was een communautair probleem dat ook de jongeren begrepen. Sinds 1997 kregen Franstalige en Vlaamse jonge Belgen niet dezelfde kansen. De eerste groep moest zich niet houden aan de wet, de tweede wel. In Franstalig België mocht iedereen vrij geneeskunde studeren, ook al zei de wet het anders. In Vlaanderen mocht enkel wie slaagde in de toelatingsproef, die studies aanvatten.

Waarom kwam die wet er destijds? En is ze nog actueel?

Het is goed af en toe even in het verleden te duikelen.

De 'plethora' en 'hongerlijdende jonge huisartsen' vormden het startpunt.

Ons land had toen, als haast enige in Europa, nog geen beperking ('numerus clausus') voor het aantal mensen dat de (dure) opleiding tot arts mag volgen.

Er kwamen daardoor elk jaar veel meer nieuwe artsen bij dan we nodig hadden. Ze overspoelden de markt. Er groeide een 'plethora'. Meer nog in het Franstalig landsdeel dan in Vlaanderen.

Van in de jaren '80 bestond dat probleem maar jarenlang werd gezegd dat een inperking van het aantal artsen strijdig zou zijn met het heilig principe van de 'vrije studiekeuze'.

Daarna poogde de overheid de cijfers te keren met ontradingscampagnes. Die hielpen niet.

De gevolgen?

Het teveel aan artsen dreef de kosten van de gezondheidszorg op. Hoe meer artsen, hoe meer zieken.

Jaar na jaar worstelde de regering met budgettaire problemen. Tegelijk zagen veel gevestigde artsen hun inkomen dalen.

Daarnaast zagen veel jonge artsen veel te weinig patiënten; en door gebrek aan ervaring, gingen ze de geneeskunde slecht bedrijven.

Een aantal jonge artsen zag bovendien zwarte sneeuw: ze verdienden niets. Er verschenen in die tijd reportages dat jonge Franstalige huisartsen haast 'verhongerden'.

De federale regering besliste toen toch een beperking in te stellen. Vlaanderen gehoorzaamde en organiseert sinds 1997 een toelatingsproef. Het overaanbod aan artsen smolt er geleidelijk weg. In Franstalig België bleef het aantal studenten zeer hoog en daar studeerden vele honderden studenten te veel af. Volgens de wet mochten ze zich niet vestigen als arts, maar de Franstalige politiek negeerde de wet. Ze beloofden het teveel aan afgestudeerden 'later' te compenseren. Nooit dus.

Eén van de gevolgen van deze spagaat is dat Franstalig België nog steeds een grote overvloed aan artsen heeft. Artsen in Franstalig België verdienen daardoor gemiddeld ook beduidend minder dan hun Vlaamse collega's. Het activiteitspeil van veel huisartsen in Brussel en Wallonië ligt ook problematisch laag. Dat bedreigt de kwaliteit. Deze artsen vullen hun dag en hun portemonnee met andere activiteiten.

Delen

Van hongerlijdende artsen naar een deftige manpowerplanning

Algemeen wordt aanvaard dat de artsenopleiding veel beter is geworden in Vlaanderen. De Franstalige studenten klagen dat zij nog in overbevolkte auditoria worden gepropt voor overwegend theoretische hoorcolleges en dat er met extreem hoge mislukkingspercentages gewerkt wordt. Sommige Franstalige studenten pogen zich daarom in te schrijven in Vlaanderen: daar is het onderwijs interactief, daar liggen de slaagcijfers, ook in het eerste jaar, boven de 90 procent; het onderwijs vermengt er vanaf het eerste jaar wetenschappelijk en klinisch onderwijs.

Is er nog wel een beperkingswet nodig? Er wordt toch algemeen geklaagd over een tekort aan artsen?

De wet en de toelatingsproef zijn zeker nog nodig. Ook aan Vlaamse kant overtreft het aantal kandidaten vele malen het aantal artsen dat nodig is. Het is beter die te selecteren 'aan de ingang' dan zeer hoge mislukkingscijfers te hanteren in de loop van de studies.

Bovendien is er geen algemeen tekort aan artsen; er zijn wel tekorten voor specifieke soorten (huisartsen, urgentieartsen, kinderpsychiaters,...) en een deel van die tekorten kan weggewerkt worden door een betere organisatie van de zorg (multidisciplinaire eerstelijnspraktijken; minder urgentiediensten).

Nu Franstalig België zich aansluit bij de aanvaarding van een beperking van het aantal artsen, kan er eindelijk een aandachtsverschuiving plaats hebben. De aandacht voor het communautaire kan wegebben en er kan meer aandacht groeien voor de details van de manpowerplanning waaraan de Planningscommissie Medisch Aanbod werkt. Zo kan men de heel specifieke tekorten die bestaan in sommige deelsectoren wegwerken.

Een voorwaarde is wel dat die Commissie niet meer in communuautaire vallen trapt. Recent deed ze dat wel door voor te stellen om de communautaire verdeling 60/40 tussen Vlaanderen en Wallonië te herzien. De Leuvense rector Rik Torfs klom meteen op in de gordijnen en dreigde met een politieke rel. Minister De Block heeft dat voorstel gelukkig van de tafel geveegd. Het vuurtje is geblust. De commissie kan nu weer aan het werk.