Herman Nys
Herman Nys
Professor emeritus, eerste vice-voorzitter European Group on Ethics
Column

26/12/17 om 08:53 - Bijgewerkt om 08:53

Hervorming Orde. Tweede keer, goede keer?

In mijn Artsenkrant van 15 december lees ik: 'Maggie De Block is de eerste minister die de Orde der artsen wil hervormen'. Nu Maggie De Block niet Charles Michel is, neem ik aan dat het citaat letterlijk moet worden begrepen. Ik wil de verwezenlijkingen van Minister De Block niet minimaliseren. Een pluim die zij op haar hoed mag steken, is dat de Orde der artsen niet meer Orde der geneesheren heet. Maar natuurlijk bedoelt Artsenkrant niet deze hervorming.

Op 19 oktober 1989 legde toenmalig minister van Sociale Zaken, Philippe Busquin (PS) aan de Raad van State een voorontwerp van wet 'betreffende de Orde der geneesheren' voor. Het advies van de Raad van State kwam er; een wetswijziging niet. Misschien kan Artsenkrant nog tijdens deze legislatuur koppen: 'Maggie De Block is de eerste minister die de Orde der artsen hervormt'. Zolang de hervormingsplannen van minister De Block niet openbaar zijn, onthoud ik me van commentaar.

Maat voor niets

In de plaats daarvan blik ik bijna dertig jaar terug. In 'Mediscoop Belgium CV; trimestriële uitgave voor geneesheren' (een beetje de voorloper van Artsenkrant, dus) schreef ik in maart 1990 een 'redaktioneel' (sic): 'De herziening van de wet op de Orde der geneesheren'. Ik verwees eerst naar het regeerakkoord van 2 mei 1988 (Regering Martens VIII) waarin de hervorming van de ziekenfondsen werd gekoppeld aan de hervorming van de Orde, hetgeen zo merkte ik op, 'in artsenkringen aanleiding heeft gegeven tot kritiek'. Vervolgens schreef ik nogal voorbarig: 'het begint ernaar uit te zien dat in de nabije toekomst de herziening van de wetgeving op de orde der geneesheren er toch zal komen'. Daarnaast was ik van oordeel dat 'het ontwerp niet kan worden afgedaan als een maat voor niets. De fundamenten mogen behouden blijven of zelfs verstevigd worden, de constructie die erop rust wordt grondig hertimmerd'.

Met de fundamenten bedoelde ik de beginselen waarop de Orde steunde sedert de oprichting ervan in 1938. Het publiekrechtelijk karakter van de Orde bleef behouden; het verplichte lidmaatschap ook evenals de indeling in provinciale raden, raden van beroep en een nationale raad. Ook de in de jaren '80 zeer omstreden tuchtrechelijke functie van de provinciale raden trotseerde de hervorming. Idem voor de code van medische plichtenleer, 'waartegen in het midden van de jaren '70 storm werd gelopen', schreef ik.

Vertrouwen

Waarom was ik dan toch een beetje ingenomen met de hertimmerde constructie? De 'eer en de waardigheid' als tuchtnorm werd vervangen door 'het schaden van het vertrouwen in de betrokken arts'. Dat hield een zeer aanzienlijke wijziging in: niet meer de de eer en de waardigheid van de groep zou de tuchtnorm zijn, maar het vertrouwen in de individuele arts. Hopelijk wordt deze wijziging na al die jaren wel meegenomen (dat schrijf ik nu, niet toen).

Daarnaast kregen de provinciale raden de bevoegdheid om 'bewarende maatregelen' te treffen tegen een arts 'wanneer de ten laste gelegde feiten doen vermoeden dat de verdere uitoefening van zijn beroep de gezondheid van zijn patiënten kan schaden'. Hoewel de code van medische plichtenleer behouden bleef - enigszins begrijpelijk dertig jaar geleden; niet meer voorstelbaar anno 2018 - verschilde de invalshoek grondig met de (nog) bestaande: 'bijdragen tot het behoud of het bereiken van een kwalitatief hoogstaande geneeskunde in het belang van de patiënten en rekening houdend met de door de gemeenschap ter beschikking gestelde middelen'. Ook de positie van de klager in een tuchtproces werd verstrekt. Hij zou kunnen worden opgeroepen om te worden gehoord. Ook zou hij op de hoogte worden gebracht van de beslissing van de provinciale raad. Hiertegen in beroep gaan zat er nog niet in. Maar via de voorzitter van de nationale raad (die een magistraat zou bljven) zou hij onrechtstreeks toch beroep kunnen aantekenen.